Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Inleiding
juridischuitgangspunt van het middel (een reeks op het bestuur van een onderneming rustende afwegingsverplichtingen vooraleer een faillissement wordt aangevraagd) juist zou zijn, rijst de vraag hoe daarmee moet worden omgegaan in de Nederlandse faillissementsprocedure.
in feiteop neer dat de belangen van werknemers (veelal) zwaarder wegen dan die van andere crediteuren. [11] Dat zwaarder wegen kan bezwaarlijk iets anders betekenen dan dat het laten doorlopen van arbeidsovereenkomsten, in de hoop dat ze in de toekomst ex lege op een andere werkgever overgaan, geboden kan zijn; ook als er geen geld is om de lonen te betalen. Aldus lopen de schulden verder op en moeten de hogere schulden uit het beschikbare vermogen worden betaald, als gevolg waarvan de andere crediteuren minder krijgen dan ze zouden hebben ontvangen bij het eerder aanvragen van het faillissement. Dat sprake is van inbreuk op de gelijkheid van schuldeisers blijkt in deze setting reeds uit art. 3:288 onder Pro e BW; de vordering van de uit afgedwongen goedertierenheid aanblijvende werknemers is bevoorrecht boven die van de meeste andere schuldeisers. [12]
wenselijk rechtvoor een bevoordeling van werknemers in voorkomende gevallen wellicht het nodige te zeggen. Maar zelfs naar wenselijk recht kan het moeilijk een
algemeendesideratum zijn. Slechts van geval tot geval zou kunnen worden beoordeeld of werknemersbelangen (zouden) moeten prevaleren boven die van andere crediteuren of belanghebbenden, waarbij dan allicht ook onderscheid zou moeten worden gemaakt al naargelang de aard en omvang van de rechten van de andere crediteuren; als men eenmaal gaat differentiëren, is immers niet goed in te zien dat en waarom alleen (bepaalde groepen) werknemers in de prijzen zouden moeten vallen.
3.Bespreking van het middel voor zover nog niet behandeld
”(rov. 3.8 tweede alinea laatste volzin).