Conclusie
Onderdeel 1richt zich tegen het oordeel van het hof dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van een belangrijk deel van de schulden. Volgens het onderdeel geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het ondeugdelijk gemotiveerd, omdat het hof (i) het begrip goede trouw heeft ingevuld als goede trouw in de zin van art. 3:11 BW Pro of de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:2 of Pro 6:248 BW, en (ii) zich ten onrechte heeft gericht op omstandigheden in het verleden en heeft miskend dat [verzoeker] inmiddels de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden onder controle heeft gekregen.
onderdeel 2begrijp ik aldus, dat geklaagd wordt dat de afwijzing van [verzoekers] beroep op de hardheidsclausule, neergelegd in art. 288 lid 3 Fw Pro, niet begrijpelijk is gemotiveerd in het licht van hetgeen bij pleidooi in hoger beroep namens [verzoeker] is aangevoerd (pleitnotities van mr. M.A. Leppers van 1 april 2014, randnrs. 8 t/m 15). De betreffende stellingen komen hierop neer, dat [verzoeker] geen contact meer heeft met zijn ex-vrouw, op de hoogte is van de regels met betrekking tot het ontvangen van toeslagen en uitkeringen, gebruik maakt van budgetbeheer en gestart is met het aflossen van zijn schulden althans daarover afspraken heeft gemaakt.