3.4. Uit bewijsmiddel 2 is af te leiden dat [slachtoffer] op vrijdagavond 9 september 2011 met zijn vriendin heeft afgesproken maar niet is komen opdagen en dat hij bovendien niet bij zijn broer is verschenen die hij ook die vrijdagavond nog zou zien. Bewijsmiddel 3 geeft weer dat [slachtoffer] op 8 september 2011 een telefoongesprek heeft gevoerd met de persoon van wie hij nog geld kreeg en dat [slachtoffer] tegen die persoon zei dat hij wilde afspreken voor vrijdag 9 september 2011 om 14:00. Ook uit bewijsmiddel 4 blijkt dat [slachtoffer] met zijn debiteur had afgesproken voor 9 september 2011 om 14:00. Bewijsmiddel 5 houdt de verklaring in van getuige [getuige 5] waarin deze zegt dat hij nog op vrijdag 9 september 2011 om 13:53 telefonisch contact heeft gehad met het slachtoffer. Het slachtoffer was toen op het adres [a-straat 2] en zou om 14:00 een afspraak hebben ten huize van verdachte, op [1]. [slachtoffer] beloofde om deze getuige terug te bellen zo gauw hij wat meer wist, maar dat is nooit gebeurd. [getuige 5] heeft dit alles ook aan zijn vriendin [betrokkene 2] medegedeeld (bewijsmiddel 6). [betrokkene 2] heeft de auto van [slachtoffer] op 9 september 2011 om 14:15 voor de woning van verdachte geparkeerd zien staan (bewijsmiddel 7).
[getuige 5] verklaart in bewijsmiddel 18 dat verdachte hem op vrijdag 9 september 2011 om 15:15 heeft gebeld en heeft gezegd dat [slachtoffer] bij hem was geweest. Om 1700 uur is verdachte bij [getuige 5] geweest. Hij zag er bleek uit, was benauwd en bezweet. Hij is een half uurtje gebleven (bewijsmiddel 18). De vriendin van [getuige 5], [betrokkene 2], heeft bevestigd dat de verdachte zeer bezweet binnenkwam en er bleek uitzag (bewijsmiddel 19).
[betrokkene 1], de vriendin van verdachte, zag toen ze thuiskwam op 9 september 2011, 's avonds om 20:00, dat de rechterkant van de vloer in de woonkamer was geschuurd (bewijsmiddel 22). Zij heeft aan de vloer niets gezien, behalve dat de rechterkant was geschuurd (bewijsmiddel 24). Op zaterdagmiddag 10 september 2011 is verdachte begonnen om de eerste beitslaag aan te brengen op dat geschuurde gedeelte (bewijsmiddel 23). Eind oktober 2011 heeft verdachte oude vloerplanken vervangen op verzoek van zijn vriendin (bewijsmiddel 23).
Onderzoek met gespecialiseerde speurhonden op 1 november 2011 in de woning van verdachte gaf aanwijzingen van menselijke resten op of in de vloer, op een plaats waar een deel van de vloer vervangen leek te zijn (bewijsmiddel 25). Negen vloerplanken bleken te zijn vervangen. Deze zijn nog aangetroffen. Nader chemisch onderzoek wees op de aanwezigheid van bloed aan de vloer. Verbalisanten hebben de vloerplanken plank voor plank afgebroken en nog meer bloedresten gevonden, evenals op stukken vloerdelen die voor de open haard bestemd waren. (bewijsmiddel 26). DNA-onderzoek had als resultaat dat de kans dat dit bloed van iemand anders dan van [slachtoffer] afkomstig zou zijn kleiner was dan één op 1 miljard (bewijsmiddel 27). Op de vervangen en aangetroffen vloerplanken zijn sporen aangetroffen onder de laklaag, van welke sporen door het NFI is vastgesteld dat het bloedsporen betreft, waarvan de kans dat deze afkomstig zijn van een ander dan van [slachtoffer] minder is dan één op 1 miljard (bewijsmiddelen 28 tot en met 34).
Op 16 november 2011 is in een omgeploegd maïsveld ten zuiden van de tuin van de woning van verdachte, en wel op een afstand van 4 m van die tuin, het stoffelijk overschot van [slachtoffer] gevonden (bewijsmiddelen 10, 11, 12). Het stoffelijk overschot van het slachtoffer vertoonde sporen van minstens tweemaal toegepast heftig uitwendig inwerkend botsend geweld op het hoofd met breuklijnen van de schedel en de schedelbasis. Op het gezicht van het slachtoffer is een dikke laag zwart materiaal aangetroffen dat postmortaal veranderd bloed leek. In de beide gehoorgangen bevond zich dezelfde substantie. De inwendige halsslagader in de schedelbasis is gescheurd. Tevens zijn er sporen aangetroffen van bij leven opgelopen geweld op de hals (bewijsmiddel 15). Een aanvullend rapport van het NFI geeft als bevinding dat er meerdere letsels zijn aangetroffen waaruit fors uitwendig bloedverlies is opgetreden. De huidverscheuringen en schedelbreuken zijn daarvoor verantwoordelijk, maar ook de verscheuring van de inwendige halsslagader in de schedelbasis, waardoor bloed onder meer via mond, neus en oren zal zijn vrijgekomen. Overigens is geen precieze inschatting te maken van het bloedverlies omdat daarvoor te veel onzekerheid bestaat over het moment van het intreden van de dood (bewijsmiddel 16).