ECLI:NL:PHR:2014:631

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2014
Publicatiedatum
1 juli 2014
Zaaknummer
13/04882
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 3 Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt advies uitleveringszaak wegens onjuiste bewijsvereisten

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba had geconcludeerd dat uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten niet toelaatbaar was, omdat het aangeleverde bewijsmateriaal onvoldoende zou zijn volgens artikel 9 lid 3 sub b van Pro het Uitleveringsverdrag.

De advocaat-generaal bij het Hof stelde cassatie in tegen dit oordeel, stellende dat het Hof ten onrechte eiste dat het bewijsmateriaal waarnaar in de affidavit werd verwezen, expliciet moest worden overgelegd, terwijl de praktijk is dat alleen de affidavit wordt gevoegd.

De Hoge Raad bevestigt dat het uitleveringsverdrag niet vereist dat het meest authentieke bewijsmateriaal wordt overgelegd en dat 'de auditu'-bewijs in de vorm van een affidavit toereikend kan zijn. Het oordeel van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting en wordt vernietigd.

De zaak wordt terugverwezen naar het Gemeenschappelijk Hof voor hernieuwde beoordeling van het uitleveringsverzoek op basis van de juiste rechtsopvatting. Hierdoor blijft de uitlevering open voor heroverweging zonder inhoudelijke beoordeling van de feiten door de Hoge Raad.

Uitkomst: Het advies van het Gemeenschappelijk Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

Nr. 13/04882 UA
Zitting: 27 mei 2014
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[de opgeëiste persoon]
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft bij advies van 11 september 2013 geconcludeerd dat op grond van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111) de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika niet toelaatbaar is. Het Hof heeft de Gouverneur van Sint Maarten geadviseerd om het verzoek tot uitlevering af te wijzen.
2. De advocaat-generaal bij het Gemeenschappelijk Hof heeft zich tijdig voorzien van beroep in cassatie, en hij heeft een schriftuur ingediend houdende één middel van cassatie. Namens de opgeëiste persoon heeft mw. mr. C. Reijntjes-Wendenburg het middel van cassatie tegengesproken.
3. Het middel komt op tegen ’s Hofs oordeel over de ongenoegzaamheid van de bij het uitleveringsverzoek gevoegde stukken.
4. De bestreden uitspraak bevat ter zake de volgende overweging:

5.Genoegzaamheid van stukken
Ingevolge artikel 9 lid Pro 3, aanhef en onder b, van het Uitleveringsverdrag dient bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op vervolging te worden gevoegd het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd.
Aan deze verdragseis is voldaan indien uit het bijgevoegde bewijsmateriaal een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon voortvloeit aan het feit waarvoor de uitlevering is verzocht, dat naar het recht van de aangezochte Staat - in het onderhavige geval derhalve: het recht van Sint Maarten - zijn aanhouding dan wel enig nader onderzoek met het oog op dagvaarding gerechtvaardigd zou zijn (zie HR 9 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX6949, NJ 2013/62).
Bij de stukken die bij het verzoek behoren en waarover het Hof beschikt, zoals weergegeven onder 3, bevindt zich geen enkel stuk ter zake van onderzoek (bewijsmateriaal) waaraan in de 'affidavit' wordt gerefereerd en waarop de 'affidavit' klaarblijkelijk berust, en waaruit een redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon aan de onder 4 weergegeven feiten kan voortvloeien. Ook het door de verdediging aangehaalde proces-verbaal van onderzoek van de kustwacht (pleitnotities, p. 2, voetnoot 1) bevindt zich niet bij die stukken. Dit brengt naar het oordeel van het Hof mee dat niet is voldaan aan de eis van artikel 9 lid Pro 3, aanhef en onder b, van het Uitleveringsverdrag. De stukken zijn daarom ongenoegzaam en de uitlevering wordt ontoelaatbaar geoordeeld.”
5. Artikel 9, derde lid van het bedoelde uitleveringsverdrag luidt voor zover relevant als volgt:
Bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op vervolging dienen te worden gevoegd:
a. (…); en
b. het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd, (…).
6. Zoals de steller van het middel met juistheid opmerkt, worden bij uitleveringsverzoeken van Amerikaanse zijde ter voldoening aan de hier geciteerde verdragsbepaling doorgaans (en voor zover relevant) alleen ‘affidavits’ als de onderhavige gevoegd als bijlage. Die staande praktijk behoeft volgens mij geen aanpassing. Anders dan het Hof in zijn hiervoor aangehaalde overweging tot uitdrukking heeft gebracht, nopen noch de redactie van de bedoelde verdragsbepaling, noch de toelichtende stukken [1] tot het oordeel dat ter onderbouwing van de graad van verdenking die door het recht van de aangezochte staat wordt vereist uitsluitend genoegen mag worden genomen met het meest authentieke bewijsmateriaal en dat ‘de auditu’-bewijsmateriaal in dit verband niet toereikend is. ’s Hofs oordeel getuigt daarmee van een onjuiste rechtsopvatting.
7. Het middel slaagt.
8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden advies. Nu een verdere afdoening van de zaak niet mogelijk is zonder te treden in een beoordeling van de feiten, strekt deze conclusie er tevens toe dat de zaak wordt teruggewezen naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba teneinde op het bestaande uitleveringsverzoek opnieuw te worden afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Zie kamerstukkennummers 17 122 en 17 123.