ECLI:NL:PHR:2014:635

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2014
Publicatiedatum
1 juli 2014
Zaaknummer
13/00240
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 316 SrArt. 350 SrArt. 353 SrArt. 1:169 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid OM bij vernieling door echtgenoot niet van tafel en bed gescheiden

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en vernieling van goederen die deels toebehoren aan zijn echtgenote. Het hof oordeelde dat het OM ontvankelijk was in de vervolging, hoewel verdachte en aangeefster echtgenoten waren.

De verdediging stelde dat het OM niet ontvankelijk had moeten worden verklaard voor de vernieling, omdat volgens art. 316 Sr Pro de vervolging is uitgesloten indien de dader de niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot is van het slachtoffer. Het hof motiveerde dit oordeel onvoldoende en hield geen rekening met het feit dat verdachte en aangeefster niet van tafel en bed gescheiden waren.

De Hoge Raad overweegt dat art. 316 Sr Pro en art. 353 Sr Pro van toepassing zijn op vernieling en dat de vervolgingsuitsluiting geldt zolang geen sprake is van scheiding van tafel en bed of volledige scheiding van goederen. Omdat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het OM ontvankelijk was, vernietigt de Hoge Raad het arrest voor wat betreft de vernieling en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Het middel dat het hof onvoldoende bewijs zag voor opzet bij de poging zware mishandeling faalt, omdat uit de verklaring van de aangeefster voldoende opzet blijkt. De Hoge Raad verwerpt het beroep voor zover het de poging betreft en vernietigt alleen het deel over vernieling en strafoplegging.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor vernieling wegens onjuiste ontvankelijkheid en terugverwezen, terwijl het cassatieberoep voor poging zware mishandeling wordt verworpen.

Conclusie

Nr. 13/00240
Zitting: 27 mei 2014
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 21 december 2012 de verdachte ter zake van 2. subsidiair
“poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot”en 3
“opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 162 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijke met een proeftijd van twee jaren.
2. Namens de verdachte heeft T.M.M. Tuhalauruw, administratief medewerker van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. M.J. van Weerden, advocaat te Almere, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelbetreft feit 2 en klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen het bewezenverklaarde opzet niet kan volgen.
4. Anders dan het middel wil kan uit ’s hofs bewijsvoering genoegzaam worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De voor het bewijs gebezigde verklaring van de aangeefster [betrokkene] houdt o.a. in:
“Ik zag dat [verdachte] het kapmes omhoog hief. Ik zag dat [verdachte] met dat kapmes op mij insloeg” en “Ik voelde dat [verdachte] op mij inhakte. Door te proberen die slagen met dat kapmes af te weren, hief in mijn linkerhand voor mijn gezicht. Ik voelde en ik zag dat [verdachte] met dat kapmes op mijn linkerhand sloeg” (bewijsm. 1).
In deze toedracht ligt verdachtes opzet besloten.
5. Het middel faalt.
6. Het
tweede middelbetreft feit 3 en klaagt dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn vervolging van de tenlastegelegde vernieling.
7. Ten laste van de verdachte is – kort gezegd – bewezenverklaard dat hij op 25 augustus 2010 goederen ten dele toebehorende aan [betrokkene] heeft vernield (art. 350 Sr Pro).
8. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 juni 2012 houdt, voor zover van belang, in:
“De voorzitter stelt vast dat een klacht, ex artikel 316 van Pro het Wetboek van Strafrecht, geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier”
9. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 december 2012 houdt, voor zover van belang, in:
“De voorzitter deelt mee dat het onderzoek ter terechtzitting van 8 juni 2012 werd gesloten, doch bij tussenarrest van 22 juni 2012 werd heropend, aangezien het hof zich onvoldoende voorgelicht achtte. Bij genoemd tussenarrest is de oproeping van aangeefster [betrokkene] als getuige bevolen.
De samenstelling van het hof is thans anders dan ter terechtzitting van 8 juni 2012. De advocaat-generaal en de raadsvrouw gaan er desgevraagd mee akkoord dat het onderzoek wordt hervat in de stand, waarin het zich bij de sluiting daarvan op 8 juni 2012 bevond.
De advocaat-generaal draagt de zaak op verzoek van de voorzitter opnieuw voor.
(…)
De advocaat-generaal requireert als volgt, zakelijk weergegeven:
(…)
De raadsvrouw voert als volgt het woord ter verdediging, zakelijk weergegeven:
(…)
Wat de vernieling betreft, er bevindt zich geen klacht in het dossier, terwijl cliënt en [betrokkene] destijds nog met elkaar waren gehuwd. Het is wel zo dat uw hof uitdrukkelijk aan [betrokkene] heeft gevraagd of zij vervolging wilde, maar dan nog geldt dat ze gezamenlijk eigenaar waren van de vernielde goederen. Mijns inziens is er dan geen strafbaar feit gepleegd.
De advocaat-generaal repliceert als volgt, zakelijk weergegeven:
Ook al is er sprake van een gemeenschappelijke huishouding, dan blijft het nog vernieling.”
10. Art. 316 Sr Pro luidt, voor zover van belang, als volgt:
“1. Indien de dader van of medeplichtige aan een der in deze titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wie het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen die dader of die medeplichtige uitgesloten.
2. Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie, heeft de vervolging, voor zover hem betreft, alleen plaats op een tegen hem gerichte klacht van degene tegen wie het misdrijf is gepleegd
3. (…)”
11. Art. 353 Sr Pro luidt:
“De bepaling van artikel 316 is Pro op de in deze titel omschreven misdrijven van toepassing.”
12. Met de – in art. 316 Sr Pro besloten liggende – bijzondere regeling voor de vervolgbaarheid van bepaalde delicten heeft de wetgever enerzijds beoogd een confrontatie te voorkomen van mensen die zeer innig op elkaar betrokken zijn; anderzijds heeft hij rekening willen houden met de bijzondere betrekking tussen de bedoelde personen wat het beheer van hun vermogens betreft. [1]
13. Art. 353 Sr Pro verklaart art. 316 Sr Pro van overeenkomstige toepassing op de misdrijven die zijn omschreven in titel XXVII van het Wetboek van Strafrecht. Een van de in die titel vermelde misdrijven is “vernieling” (art. 350 Sr Pro). De in art. 316, eerste lid, Sr genoemde vervolgingsuitsluitingsgrond geldt dus ook ingeval goederen zijn vernield of beschadigd van een echtgenoot of geregistreerde partner. Daarvan was in casu sprake. Waar het hof de verklaring van de aangeefster noemt, spreekt het immers van
“haar echtgenoot, met wie samenwoning was beëindigd althans ten minste onderbroken”. [2] Ook de bewezenverklaring van feit 2, begaan op dezelfde dag, en de kwalificatie daarvan (poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot) maakt duidelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte en de aangeefster ten tijde van de vernieling echtelieden waren. Uit het bestreden arrest, noch uit het dossier heb ik kunnen afleiden dat de verdachte en de aangeefster gescheiden waren van tafel en bed als bedoeld in de artt. 1:169 e.v. BW, of dat zij gehuwd waren met een regime van volledige scheiding van goederen.
14. Toegegeven zij dat het verweer van de verdediging te wensen overlaat. Zo wordt aan het verweer niet de conclusie verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte terzake van de vernieling. Nu het verweer een zgn. preliminair verweer betreft, is het bovendien te laat – immers na de voordracht van de advocaat-generaal bij het hof – gevoerd. Het voorgaande neemt niet weg dat het hof een zelfstandige taak heeft in de beoordeling van de vraag naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Gelet op hetgeen onder 13 is overwogen en mede in aanmerking genomen hetgeen namens de verdachte is aangevoerd, is het (impliciete) oordeel van het hof om het openbaar ministerie voor wat betreft feit 3 ontvankelijk te verklaren, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.
15. Het middel slaagt.
16. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
17. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft feit 3 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Vgl. H.J. Smidt,
2.Uit de verklaring van de aangeefster afgelegd bij de politie d.d. 25 augustus 2010 blijkt dat de aangeefster en de verdachte sinds april 2009 niet meer samenwoonden.