Conclusie
“poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot”en 3
“opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 162 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijke met een proeftijd van twee jaren.
eerste middelbetreft feit 2 en klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen het bewezenverklaarde opzet niet kan volgen.
tweede middelbetreft feit 3 en klaagt dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren in zijn vervolging van de tenlastegelegde vernieling.
“haar echtgenoot, met wie samenwoning was beëindigd althans ten minste onderbroken”. [2] Ook de bewezenverklaring van feit 2, begaan op dezelfde dag, en de kwalificatie daarvan (poging tot zware mishandeling, begaan tegen zijn echtgenoot) maakt duidelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte en de aangeefster ten tijde van de vernieling echtelieden waren. Uit het bestreden arrest, noch uit het dossier heb ik kunnen afleiden dat de verdachte en de aangeefster gescheiden waren van tafel en bed als bedoeld in de artt. 1:169 e.v. BW, of dat zij gehuwd waren met een regime van volledige scheiding van goederen.