ECLI:NL:PHR:2014:641

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2014
Publicatiedatum
1 juli 2014
Zaaknummer
13/03493
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onjuiste toepassing bewijsregels bij opzetheling

Verdachte werd door het hof veroordeeld wegens opzetheling van een bromfiets die hij samen met een ander in bezit had, wetende dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De politierechter had de feiten iets anders gekwalificeerd dan het hof.

De raadsman van verdachte had vrijspraak bepleit en verdachte ontkende het tenlastegelegde feit. Het hof had desalniettemin volstaan met een opgave van bewijsmiddelen in plaats van een volledige motivering, wat in strijd is met artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad oordeelt dat het arrest niet in stand kan blijven en vernietigt het. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting in hoger beroep. Hierdoor wordt het belang van een volledige en gemotiveerde bewijsvoering benadrukt wanneer vrijspraak wordt bepleit.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 13/03493
Mr. Spronken
Zitting: 13 mei 2014
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 21 mei 2013 door de Enkelvoudige Kamer van het Gerechtshof Den Haag wegens “opzetheling”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.
Mr. E. de Witte, advocaat te 's-Gravenhage, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de verdachte heeft bekend zodat het eveneens ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, tweede volzin, Sv.
In zijn arrest heeft het hof met betrekking tot de bewijsvoering het volgende overwogen:
‘Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hiervoor onder 1, 2, 3, 4 en 5 in de zin van artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering opgegeven bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.’
5. De pleitnotitie van de raadsvrouw van de verdachte, welke is overgelegd ter terechtzitting van het hof van 21 mei 2013 en daarvan deel uitmaakt, houdt onder meer het volgende in:
‘Gelet op het zojuist aangevoerde verzoek ik u cliënt vrij te spreken voor het hem primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.’
6. Daar wil ik nog ambtshalve aan toevoegen dat het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 21 mei 2013 het volgende inhoudt:
‘De verdachte wordt onmiddellijk na het voordragen van de zaak in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.
De verdachte geeft op ten onrechte te zijn veroordeeld.’
7. Nu verdachte ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat hij ten onrechte is ver-oordeeld, waaruit blijkt dat verdachte het hem tenlastegelegde feit ontkent en de raads-vrouw vrijspraak heeft bepleit, had het hof, gelet op de slotzin van art. 359, derde lid, tweede volzin, Sv: ‘tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit’ niet mogen volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Hieraan doet niet af dat de politierechter de feiten iets anders heeft gekwalificeerd dan het hof. [1]
8. Het arrest kan daarom niet in stand blijven.
9. Nu het eerste middel gegrond is, zie ik ervan af het tweede middel te bespreken. Mocht de Hoge Raad daar prijs op stellen, dan ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak ten einde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De politierechter achtte ten laste van de verdachte bewezen dat ‘hij in de periode van 12 oktober 2010 tot en met 14 oktober 2010 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander, een bromfiets (merk Tomos, type A3) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van die bromfiets wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof’.