Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
per saldo€ 191.741,02 [5] . Daartegenover werd de man veroordeeld om binnen twee weken nadat de vrouw aan haar betalingsverplichting zal hebben voldaan, een bedrag van € 182.431,09 af te storten bij een door de vrouw aan te wijzen pensioenverzekeraar.
per saldo€ 99.152,30, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 juli 2007. Verder heeft het hof bepaald dat de inboedelgoederen en de roerende zaken zijn verdeeld en dat de waarde daarvan tussen partijen is verrekend.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
klacht onder I.1houdt in dat de gevolgtrekking onbegrijpelijk is in het licht van een door de man opgestelde notitie met bijlagen, die de advocaat van de man bij brief van 31 maart 2010 aan de rechtbank had toegezonden ter voldoening aan het bepaalde in de tussenbeschikking van 23 december 2009. Deze notitie met de daarbij behorende bijlage A (“rapport feitelijke bevindingen”) laten volgens het middelonderdeel geen andere uitleg toe dan (samengevat):
klacht onder I.2houdt in dat het voorgaande temeer klemt, nu geen van partijen had gesteld dat (een gedeelte van) het geld dat in maart 2004 op spaarrekening [001] stond door partijen is verteerd. Volgens de man heeft de vrouw nimmer betwist dat van het geld op deze rekening effecten en beleggingen zijn gekocht en verkocht; in het bijzonder heeft de vrouw volgens de klacht niet gesteld dat het geld waarmee de effecten zijn verworven die in effectendepot nr. 10.100.18 zaten (en die volgens het hof op 15 mei 2007 een waarde hadden van € 327.407,28 [14] )
nietafkomstig zou zijn van spaarrekening nr. [001]. Indien het hof van oordeel is dat de vrouw dit wél heeft betwist, acht de man dat oordeel onbegrijpelijk.
klacht onder I.3houdt in dat sprake is van een ongeoorloofde aanvulling van de feiten door het hof (art. 25 Rv Pro): niet is gesteld dat het geld op deze rekening door partijen is verteerd. De
klacht onder I.4wijst op de grief van de man in het incidenteel hoger beroep, waarin hij als misslag bestreed het oordeel van de rechtbank [15] dat het effectendepot een waarde zou hebben van € 327.407,28 en dat elk van partijen recht zou hebben op de helft daarvan, € 163.703,64. Volgens de klacht is onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof deze grief buiten behandeling heeft gelaten.
kanvolgen uit de premissen − in dit middelonderdeel niet aan de orde − kan sprake zijn van een motiveringsgebrek wanneer de rechter een essentiële stelling of een essentieel verweer onbesproken laat en daarmee de lezer in het ongewisse laat, op welke grond die stelling of dat verweer is verworpen. Verder gaat het om een waardering van de feiten die aan het hof was voorbehouden.