ECLI:NL:PHR:2014:679

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2014
Publicatiedatum
4 juli 2014
Zaaknummer
14/02487
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 79 lid 1 ROArt. 27 Turks Wetboek van VerbintenissenrechtArt. 10:2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake huwelijksvermogensrechtelijke overeenkomst van uitzet onder Turks recht

De man en vrouw, beiden met Turkse nationaliteit en woonachtig in Nederland, zijn in 2002 in het Turkse consulaat te Rotterdam gehuwd. Na hun echtscheiding in 2012 werd door de rechtbank Rotterdam bepaald dat de man aan de vrouw €50.000 moest betalen op grond van een voor het huwelijk gesloten 'overeenkomst van uitzet'. De man ging hiertegen in hoger beroep, maar het hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigde het vonnis.

De man stelde in cassatie twee middelen aan: het hof zou het Turkse recht onjuist hebben toegepast en had het islamitisch gewoonterecht bij de uitleg van de overeenkomst moeten betrekken. De Hoge Raad oordeelde dat klachten over de uitleg of toepassing van buitenlands recht niet ontvankelijk zijn in cassatie op grond van art. 79 lid 1 RO Pro.

Verder verwierp de Hoge Raad het betoog dat het hof het beroep op art. 27 van Pro het Turkse Wetboek van Verbintenissenrecht ten onrechte had gepasseerd, omdat het hof de overeenkomst kwalificeerde als huwelijksvermogensrecht waarop Turks recht van toepassing is en geen nietigheid of strijd met openbare orde zag. Ook het middel over het islamitisch gewoonterecht faalde wegens onjuiste lezing van het vonnis en art. 79 lid 1 RO Pro. Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard en het hof vonnis bekrachtigd.

Conclusie

Zaak 14/02487
Mr. P. Vlas
Zitting, 27 juni 2014
Conclusie inzake art. 80a
inzake:
[de man]
(hierna: de man),
Verzoeker tot cassatie,
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw),
Verweerster in cassatie.
1. De man (Turkse nationaliteit) en de vrouw (Turks/Nederlandse nationaliteit) zijn in 2002 op het Turkse consulaat te Rotterdam gehuwd en zijn beiden woonachtig in Nederland. Bij beschikking van 11 december 2012 heeft de rechtbank Rotterdam de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en onder meer bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 50.000 dient te voldoen in verband met een tussen partijen vóór het huwelijk aangegane ‘overeenkomst van uitzet’. In hoger beroep heeft de man verzocht de beschikking van de rechtbank ter zake van de betaling van € 50.000 te vernietigen. Bij beschikking van 13 februari 2014 heeft het hof ’s-Hertogenbosch de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De man heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld.
2. Tegen de beschikking van het hof worden twee middelen aangevoerd. Kort gezegd wordt in middel I betoogd dat het hof het Turkse recht ten onrechte niet heeft toegepast en het beroep van de man op art. 27 van Pro het Turkse ‘Borclar kanunu’ (‘Wetboek van Verbintenissenrecht’) ten onrechte althans op onjuiste gronden heeft verworpen. In middel II wordt betoogd dat het hof bij de beoordeling van de achtergrond en de betekenis van de ‘overeenkomst van uitzet’ en daarmee de bedoeling van partijen, de regels van het (islamitisch) gewoonterecht in aanmerking had moeten nemen. Het middel voert aan dat het hof heeft overwogen dat de uitleg van de man niet bij de aard van de overeenkomst zou passen, hetgeen volgens de man wel degelijk het geval is.
3. Voor zover de klachten al voldoen aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen van bepaaldheid en precisie, rechtvaardigen zij geen behandeling in cassatie, omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Daartoe geldt het volgende. In de bestreden beschikking heeft het hof de aanspraak van de vrouw uit de ‘overeenkomst van uitzet’ gekwalificeerd als een kwestie van huwelijksvermogensrecht, waarop Turks recht van toepassing is (zie rov. 3.5.2). De man heeft betoogd dat de overeenkomst nietig is en heeft daartoe een beroep gedaan op art. 27 van Pro het Turkse Wetboek van Verbintenissenrecht. Het hof heeft het standpunt van de man weergegeven in rov. 3.3 en dit standpunt verworpen in rov. 3.5.3. Voor zover middel I klaagt dat het hof het Turkse recht ten onrechte niet heeft toegepast berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking. Voor het overige betoogt het middel dat het hof het beroep van de man op art. 27 van Pro het Turkse Wetboek van Verbintenissenrecht ten onrechte heeft verworpen. Het middel betoogt terecht dat de Nederlandse rechter vreemd recht ambtshalve behoort toe te passen (zie art. 10:2 BW Pro) en dat het hof het beroep van de man op art. 27 van Pro het Turkse Wetboek van Verbintenissenrecht daarom niet had mogen passeren door te overwegen dat de man zijn beroep op deze bepaling niet heeft onderbouwd en geen literatuur en jurisprudentie ter ondersteuning van zijn stelling heeft bijgebracht. Het middel gaat echter eraan voorbij dat het hof de ‘overeenkomst van uitzet’ heeft gekwalificeerd als een kwestie van huwelijksvermogensrecht waarop Turks recht van toepassing is en dat in die kwalificatie kennelijk besloten ligt dat het beroep van de man op art. 27 van Pro het Turkse Wetboek van Verbintenissenrecht niet ter zake is. Uit rov. 3.5.3 volgt dat het hof heeft geoordeeld dat de onderhavige overeenkomst niet kan worden aangemerkt als nietig naar Turks recht noch dat sprake is van strijd met de openbare orde. Voor het overige stuit het middel af op art. 79 lid 1 aanhef Pro en onder b RO.
4. Middel II stuit eveneens af op art. 79 lid 1 aanhef Pro en onder b RO, voor zover wordt geklaagd over de uitleg van de ‘overeenkomst van uitzet’ aan de hand van het ‘islamitisch recht’, waarmee kennelijk wordt gedoeld op de regels van gewoonterecht zoals deze zich naar islamitische opvatting in het Turkse recht hebben ontwikkeld. Voorts berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden beschikking, omdat het hof in rov. 3.6.1 het standpunt van de man heeft weergegeven en in rov. 3.6.4 heeft overwogen dat voor de door de man verdedigde uitleg van de overeenkomst dat er alleen een betalingsverplichting voor hem ontstaat indien hij zelf de echtscheiding verzoekt, geen aanwijzing is gevonden in de tekst van de overeenkomst en dat die uitleg ook niet past bij de aard van de bruidsschat.
5. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G