Conclusie
eerste middelklaagt over de verwerping door het Hof van een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting daarop, behelst de klacht dat de veroordeling van verzoeker – kort gezegd voor het met betrekking tot de verstrekking van een uitkering niet tijdig doorgeven dat hij in de periode van 15 maart 2006 tot 25 augustus 2007 heeft gehandeld in drugs en/of inkomsten uit deze handel heeft genoten - in strijd is met het in art. 14, derde lid aanhef en onder g, IVBPR en art. 6 EVRM Pro vervatte “right not to incriminate oneself”. Ter onderbouwing van deze klacht voert de steller van het middel, met verwijzing naar de conclusie van AG Wattel van 1 maart 2013 (ECLI:NL:PHR:2013:BZ3640), aan dat verzoeker van die handel en die inkomsten geen melding kón maken zonder zichzelf te belasten in de toen nog lopende drugszaak.
verplichtom aan de inspecteur alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de belastingheffing te zijnen aanzien. Het middel in die zaak stelde de vraag aan de orde of, en zo ja in hoeverre, van dit uitgangspunt moet worden afgeweken in verband met de mogelijkheid dat de betrokkene (eiser) bij toewijzing van de vordering die op voormelde wettelijke verplichting is gegrond, op een met art. 6 EVRM Pro strijdige wijze zou worden gedwongen om mee te werken aan bewijsvergaring ten behoeve van bestuurlijke boeteoplegging of strafvervolging (“criminal charge”), en hij bij weigering om aan het in het kort geding gegeven bevel te voldoen, een (aanzienlijke) dwangsom zou verbeuren. Het middel betoogde dat in het door de AG Wattel besproken geval sprake is van een “criminal charge”, dat de gevraagde informatie mede gebruikt zal of kan worden voor beboeting of strafvervolging van de betrokkene (eiser), dat het afdwingen van die informatie in dit geval in strijd komt met het nemo tenetur-beginsel en dat het Hof zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd indien het ervan is uitgegaan dat het uitsluitend gaat om gegevens die bestaan onafhankelijk van de wil van de betrokkene. De AG Wattel biedt in zijn conclusie een chronologisch overzicht van de nationale en Straatsburgse rechtspraak over de samenloop van enerzijds het recht van een (potentieel) verdachte om verschoond te blijven van
dwang(cursivering, EH) tot zelfbeschuldiging en anderzijds wettelijke, met sancties verzwaarde meewerk
plichten(cursivering, EH) met (i) een strafvorderlijk (punitief) doel (inclusief bestuurlijke beboeting), (ii) een niet-strafvorderlijk (reparatoir) doel of (iii) een gemengd, hybride of voor de betrokken persoon onduidelijk doel, en bespreekt afzonderlijk de uitspraak van EHRM 5 april 2012, nr. 11663/04, EHRC 2012/135 m.nt. Niessen in de zaak van Chambaz tegen Zwitserland. Door mij samengevat luidt de slotsom van AG Wattel dat wanneer sprake is van een “criminal charge” of indien de betrokkene niet kan uitsluiten dat de van hem in de toezichtsfeer onder
dwang(cursivering, EH) gevorderde informatie strafvorderlijk tegen hem gebruikt zal worden, hij niet zonder schending van art. 6 EVRM Pro kan worden bestraft of met boete bedreigd worden voor het niet-verklaren, tenzij (i) het gaat om boeten of druk waarvan onder de gegeven omstandigheden niemand wakker hoeft te liggen en de sanctie in elk geval non-custodial is of (ii) er procedurele waarborgen bestaan dat in de toezichtsfeer
afgedwongen(cursivering, EH) informatie of documenten niet zullen worden gebruikt.
verplicht(jaarlijks) opgave te doen van de gevraagde stand van zaken; dit voorschrift is voor elke belastingplichtige, wie het ook is,
dwingend. Maar voor verzoeker gold een dergelijke plicht (of dwang) juist niet. Blijkens de stukken van het geding heeft verzoeker vanaf zijn 21e jaar (dat wil zeggen vanaf 1992) onafgebroken een uitkering (ZW, WAO, WW) gehad. In maart 2006 besloot hij te gaan dealen in hard drugs (welke handel zou voortduren tot augustus 2007). Dat was zijn keuze. Ook was hij toen niet verplicht de uitkering waarvan op dat moment sprake was voort te zetten. Verzoeker had gewoon de uitkering(en) zelf kunnen stopzetten door bijvoorbeeld geen formulieren en werkbriefjes (meer) in te vullen. Hij had dan niet hoeven te vertellen wat de bron was van zijn nieuwe inkomsten. Bovendien lijkt het er in de onderhavige zaak op dat er hooguit een probleem had kunnen ontstaan als de informatie die hij moest verstrekken in het kader van de uitkering vervolgens in de toen nog lopende strafzaak ter zake van de Opiumwet zou zijn gebruikt.
derde middelklaagt dat het Hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een ontoelaatbare conclusie.