Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
bis)
1.Mijn oorspronkelijke conclusie
2.Het overgangsrecht bij de hybrideleningwetgeving
ratione temporiswel van toepassing was op de litigieuze lening. Dat overgangsrecht bepaalde – kort gezegd – dat die wetgeving pas van toepassing was op leningen aangegaan na 31 december 2001 maar – na aanvulling – ook op leningen die weliswaar voor die datum waren aangegaan, maar na die datum alsnog werden gehybridiseerd:
o. de aflossingsdatum van de lening wordt verschoven naar een later tijdstip; of
o. een andere rechtspersoon in de plaats treedt van de schuldenaar, tenzij dit geschiedt in het kader van een fusie of splitsing waarbij de daarbij behaalde winst op de voet van artikel 14, 14a of 14b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 buiten aanmerking blijft.”
3. Toepassing van het overgangsrecht op de in cassatie niet bestreden feitenvaststelling
toepasselijkewetgeving (uitsluitend art. 15ab(6) Wet Vpb), toch terecht betoogd dat € 14.915.949 tot belanghebbendes winst over 2004 moest worden gerekend. Ik merk daarbij op dat de belanghebbende niet voor dat bedrag is aangeslagen, maar – als gevolg van aanslagoplegging van ambtswege – naar een belastbaar bedrag ad € 2.900.000.
4.Niet-casseren van ambtswege?
eerste vraagis of u buiten de rechtsstrijd treedt als u het overgangsrecht van ambtswege toepast. Dat is mijns inziens niet het geval. In geschil is immers steeds geweest of waardeverandering van de lening als gevolg van toepassing van art. 15ab(6) Wet Vpb de fiscale winst raakt. De (niet-)toepasselijkheid van de hybride-leningwetgeving heeft rechtstreekse en beslissende invloed op het antwoord op die vraag.
tweede vraagis of uw bevoegdheid om van ambtswege te casseren licht werpt op de vraag wat te doen. Anders dan uw eerste kamer (zie art. 419 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering; Rv.), kunt u casseren op andere dan de aangevoerde gronden (art. 29e(2) AWR). Het gaat in casu echter niet om een niet-aangevoerde
cassatiegrond, maar om een niet-aangevoerde rechtsgrond om het overigens (wél) tot cassatie leidende middel ongegrond te achten. Het probleem ligt niet buiten de
middelen, maar buiten het
verweer. De bevoegdheid om een overigens gegrond middel te verwerpen op grond van een niet-gevoerd verweer laat zich niet zichtbaar baseren op de tekst van art. 29e(2) AWR, dat als volgt luidt:
niet-casseren) op deze bepaling gebaseerd kan worden, gaat het nog steeds om een bevoegdheid; niet om een verplichting.
derdede
vraagof enige andere wettelijke bepaling u (wél) verplicht om – binnen het geschil en de vast staande feiten – het overgangsrecht van ambtswege toe te passen. Dat is mijns inziens niet het geval. Art. 8:69(2) Awb verplicht alleen de feitenrechter tot ambtshalve aanvulling van rechtsgronden; de cassatierechter is expliciet uitgezonderd van de toepassing van art. 8:69 Awb Pro (zie art. 29 AWR Pro).
nietop u van toepassing verklaard. Ik meen dat daaraan niet voorbij gegaan kan worden, al heb ik in de parlementaire geschiedenis van (de wijziging van) art. 29(2) AWR niet kunnen vinden waarom art. 8:69 Awb Pro is uitgezonderd van toepassing in cassatie. Dat de leden 1 en 3 uitgezonderd werden, laat zich horen: anders zou twijfel kunnen rijzen of u nog wel buiten de middelen zou kunnen gaan, resp. zou u het risico lopen soms wel en soms niet mede feitenrechter te worden.
verplichtingom van ambtswege rechtsgronden aan te vullen, geldt in cassatie slechts ter zake van gronden ontleend aan dwingend EU-recht. [6]
vierde vraag: biedt art. 79 Wet Pro op de rechterlijke organisatie (u casseert alleen bij schending of verkeerde toepassing van het recht of bij wezenlijk vormverzuim) gezichtspunten? Noopt die bepaling ertoe
niette casseren als het recht
nietis geschonden? Uw eerste kamer eens aldus geoordeeld in een geval waarin beide partijen én de feitenrechter ten onrechte ervan uitgingen dat het na 1 januari 1975 herziene huurrecht van toepassing was. In cassatie bleek dat het oude huurrecht van vóór die datum van toepassing was. De eiser tot cassatie klaagde over verkeerde toepassing van het herziene huurrecht en meende dat, nu de gedaagde geen incidenteel cassatieberoep had ingesteld tegen de toepassing van dat nieuwe recht, het geschil afgedaan moest worden op basis van het nieuwe recht. Uw eerste kamer overwoog echter: [7]
art. 48Rv. door de cassatierechter te zien. Door te beslissen dat in dit geval oud recht toepasselijk was en niet door de Rb. toegepast nieuw recht vulde de HR ambtshalve rechtsgronden aan. De beslissing berust op een bepaling van overgangsrecht, waarop geen beroep was gedaan in de cassatiemiddelen, maar wel in het pleidooi van verweerster in cassatie ter bestrijding van de gegrondheid der middelen.
art. 48Rv. in cassatie in deze vorm: de HR oordeelt een middel gegrond of laat de gegrondheid van het middel in het midden, maar handhaaft de bestreden beslissing o.g.v. een ambtshalve gegeven rechtsbeschouwing, omdat de beslissing door de HR in ieder geval juist wordt geoordeeld, al is het op andere gronden. De HR verbetert in wezen de gronden der beslissing. Resultaat is verwerping van het beroep. De proceseconomie wordt hierdoor gediend, omdat de HR anders zou moeten vernietigen en verwijzen of zelf afdoen, waarna met verbetering van gronden dezelfde beslissing zou moeten worden gegeven. Zie J. Donner, Plaats en taak van de HR der Nederlanden (1962), p. 38–39.
art. 99Wet RO — zelf vast te stellen welke rechtsregels in het gegeven geval toepasselijk zijn.’ Ook ambtshalve, is hier kennelijk bedoeld, al was i.c. een desbetreffend verweer gevoerd. Betekent dit een inbreuk op de heerschappij van het cassatiemiddel? Neen, want al stelt het middel de vraag van het toepasselijke recht niet aan de orde, de HR moet die vraag beantwoorden ter beoordeling van het middel. De vraag gaat in zoverre niet buiten het middel om en is niet een nieuw door de rechter bijgebracht middel. Het beantwoorden van de vraag is het aanvullen van rechtsgronden.