Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Wat betekent achtergesteld deposito?
( [2] )
( [3] )
( [4] )
( [5] )neemt de rechtbank tot maatstaf dat AFM in de periode waarin [eiseres] overwoog de deposito-overeenkomst aan te gaan en kennisnam van uitingen van DSB over haar product deposito met achterstelling, heeft gehandeld in strijd met hetgeen van haar als redelijk handelend toezichthouder mocht worden verlangd, indien zij gezien de omstandigheden van het geval in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten een bepaald gebruik van de haar toekomende bevoegdheden achterwege te laten (rov. 4.6). De rechtbank overweegt vervolgens dat er in de onderhavige periode in ieder geval twee, bij AFM bekende signalen waren: (i) DNB achtte verbetering van de liquiditeit, de solvabiliteit en de corporate governance structuur bij DSB nodig en stuurde daarop in de uitoefening van het prudentieel toezicht aan bij DSB; (ii) de aanzienlijke instroom van deposito’s met achterstelling bij DSB in het eerste kwartaal van 2008 (rov. 4.7). In aansluiting daarop overweegt de rechtbank dat in het licht van deze signalen niet valt in te zien dat AFM nader onderzoek naar de noodzaak van verscherpt toezicht achterwege mocht laten. Wanneer het risicomanagement van de bank aanleiding geeft tot zorg vanuit een financieel oogpunt, zij onder verhoogd toezicht van DNB wordt geplaatst en zij op de spaarmarkt in een korte periode een zeer aanzienlijke hoeveelheid geld aantrekt met een product dat door consumenten wordt afgenomen en waarmee de afnemer een groter risico loopt dan een gewone spaarder, dan ligt in het kader van de uitoefening van het gedragstoezicht de vraag voor de hand of de grote stijging van de instroom mede kan worden verklaard doordat de bank, teneinde de zorg van DNB op het punt van de liquiditeit en solvabiliteit te ondervangen, onder meer
fundingaantrekt van consumenten zonder de verstrekkers voldoende duidelijk te maken dat sprake is van risicodragend kapitaal. Die vraag had AFM naar het oordeel van de rechtbank destijds zich moeten stellen en trachten te beantwoorden (rov. 4.8). De rechtbank deelt niet de stelling van AFM dat nader onderzoek naar de informatieverstrekking door DSB omtrent de achtergestelde leningen niet tot een verzoek tot aanpassing zou hebben geleid (rov. 4.11 en 4.12). AFM had volgens de rechtbank niet haar geheimhoudingsplicht hoeven te schenden (rov. 4.13), maar wel een onderzoek naar het gedrag van DSB met betrekking tot achtergestelde leningen moeten doen. Door dat na te laten heeft AFM jegens [eiseres] onrechtmatig gehandeld (rov. 4.14).
( [6] )heeft het hof het vonnis van 13 april 2013 vernietigd en de vordering van [eiseres] afgewezen. Het hof laat in het midden of AFM als toezichthouder jegens consumenten als [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld door vóór juni 2008 een onderzoek naar mogelijke overtredingen van DSB met betrekking tot deposito’s met achterstelling achterwege te laten. Het hof acht juist de stelling van AFM,
“dat zich niet de situatie voordoet dat zij, als zij in de relevante periode aandacht had besteed aan de achtergestelde deposito’s, dan in redelijkheid maatregelen op grond van de Wft niet achterwege had kunnen laten”(rov.3.19). Dit oordeel rust in het bijzonder op de volgende gronden. Volgens het hof kan niet geoordeeld worden dat er onmiskenbaar sprake was van een overtreding van het bepaalde in de artikelen 4:19 en 4:20 Wft die eind 2007/eerste helft 2008 tot ingrijpen aanleiding had moeten geven (rov. 3.21 met een uitwerking in de rov. 3.22 t/m 3.23). Een abstracte waarschuwing voor de aan een achtergesteld deposito verbonden risico’s ligt al voldoende besloten in het door DSB verstrekte informatiemateriaal (rov.3.25). Niet kan worden aangenomen dat in de te dezen relevante periode al sprake was van zicht op het aan een deposito met achterstelling verbonden risico van faillissement (rov. 3.26). Zou AFM, indien zij in de relevante periode aandacht aan de deposito’s met achterstelling zou hebben geschonken, DSB niet verplicht hebben concrete mededelingen te doen over haar situatie, dan zou dat haar niet als onrechtmatig hebben kunnen worden aangerekend, met name vanwege de beoordelingsvrijheid die haar in verband met het zich hier voordoende toezichthoudersdilemma toekwam (rov. 3.26). De mogelijkheid van een openbare waarschuwing is in een situatie als waarom het te dezen gaat niet aan de orde (rov. 3.26).
2.Enige beschouwingen van juridische aard vooraf
( [8] ). Uit het – ongekend grote – aantal (nadere) regels die betrekking hebben op de verstrekking van krachtens de wet verplichte informatie, valt – voor zover te overzien – niet af te leiden dat, voor zover het gaat om het product deposito met achterstelling, tot die informatie ook behoort informatie over de staat van de financiële gezondheid van de betrokken financiële onderneming zelf die genoemd financieel product aanbiedt.
.De toezichthouder (AFM en DNB) dient bij handhaving ruimte te hebben voor een belangenafweging in het kader van het zogenaamde toezichthouderdilemma. Enerzijds worden de belangen van professionele marktpartijen en cliënten op de lange termijn gediend door gebonden handhaving, anderzijds is het evenzeer op korte termijn in hun belang dat het vertrouwen in en de continuïteit van de bedrijfsvoering van de overtredende financiële onderneming wordt gehandhaafd. Gelet op dit dilemma zal de AFM (en DNB) van geval tot geval moeten bezien of handhaving wel proportioneel en subsidiair is en ook voor het overige niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.”
( [9] )
( [11] )Het arrest heeft betrekking op het volgende geval. Vie d’Or, die sedert 1 november 1985 het levensverzekeringsbedrijf uitoefende, is op 11 december 1995 in staat van faillissement verklaard. Zij stond krachtens de Wet toezicht verzekeringsbedrijf (Wtv) onder toezicht van de Verzekeringskamer.
( [12] )Een stichting waaraan voormalige polishouders hun beweerde vorderingsrechten op Vie d’Or hadden overgedragen heeft onder meer de Verzekeringskamer in rechte aangesproken en onder meer gevorderd voor recht te verklaren dat de Verzekeringskamer jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld wegens tekortschietend toezicht op Vie d’Or. Bij het hof vindt de stichting gehoor. Naar aanleiding van het ingestelde cassatieberoep overweegt de Hoge Raad omtrent de beoordelingsmaatstaf onder meer:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
voorschrijvendat, wanneer zij een product als een langjarig spaardeposito met achterstelling aanbiedt, zij daarbij
eigener bewegingook informatie dient te verstrekken over de bestuurlijke stabiliteit en de financiële gezondheid van haarzelf. Dat valt ook wel te begrijpen. Bedoelde informatie, zeker indien deze een nogal negatief beeld oproept, is gevoelige informatie die, indien zij algemeen bekend wordt, een bedreiging kan gaan vormen voor het voortbestaan van een financiële onderneming als een bank en daardoor kan leiden tot benadeling van velen die bij die financiële onderneming een belang hebben. Een financiële onderneming als een bank zal de informatie wel met name aan DNB dienen te verstrekken, met name in het kader van de periodieke evaluatie door DNB op de voet van artikel 3:18 Wft Pro van bedrijfsaspecten als genoemd in de artikelen 3.17 (beheersing van bedrijfsprocessen en bedrijfsrisico’s; integriteit; soliditeit) en 3.57 (solvabiliteit) Wft. De algemene grondslag voor de bevoegdheid van DNB om ter zake inlichtingen in te winnen is te vinden in artikel 1:74 Wft Pro en voor de plicht van de financiële onderneming om medewerking te verlenen in 5.20 Awb. In verband met de naleving van die plicht is van belang het uitgangspunt dat DNB aan verkregen inlichtingen van vertrouwelijke aard geen bekendheid zal geven dan voor zover nodig is voor de uitvoering van haar toezichtstaak (artikel 1:89 Wft Pro).
( [13] )niet een onrechtmatig nalaten van AFM zou zijn geweest. Met het opleggen van een dergelijk verbod zou enerzijds AFM geen informatie over de zorgelijke toestand bij DSB naar buiten hebben gebracht, maar anderzijds DSB hebben genoopt om voorafgaande aan het afsluiten van deposito-overeenkomsten als in juni 2008 door haar nog met [eiseres] is aangegaan inlichtingen over de zorgzame situatie bij haar te verstrekken dan wel – wat eerder te verwachten zou zijn geweest – DSB ertoe zou hebben bewogen om af te zien van het verder nog afsluiten van dergelijke overeenkomsten. De motivering schiet mede tekort, omdat het hof niet duidelijk heeft gemaakt hoe zij de belangen van [eiseres] heeft gewogen.