Conclusie
2.4 Met de vierde grief en de toelichting op de vijfde grief bestrijdt [eiser] onder meer het - in dit verband primaire - oordeel van de rechtbank dat hij bestuurder van [A] was (ro 6).
- een arbeidsovereenkomst tussen [A] en [eiser] van 3 mei 2002 waarbij de vennootschap werd vertegenwoordigd "door dc twee directeuren gezamenlijk: [betrokkene 2] en [eiser]";
- een verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders van "[A] BV" van 7 mei 2002, waarin [eiser] als een van de twee bestuurders is aangeduid, in welk verslag onder meer Staat: "voor de beide directieleden / bestuurders zijn de arbeidscontracten akkoord bevonden cn rechtsgeldig ondertekend" (productie 24 bij conclusie van dupliek);
- de door kandidaat-notaris mr. Kingma op 5 juli 2002 gedane opgave aan het handelsregister strekkende tot inschrijving van [eiser] en [betrokkene 2] als statutair directeur, waarbij laatstgenoemden die hoedanigheid met hun handtekening hebben bevestigd (productie 1 bij conclusie van antwoord);
- de opgave ten behoeve van het handelsregister van 27 februari 2003. waarbij [eiser] in de hoedanigheid van bestuurder, namens [A] opgaven doet van in het handelsregister op te nemen gegevens (productie 1 bij conclusie van antwoord);
- een arbeidsovereenkomst tussen [A] en mr. A.J. Fontijn (thans advocaat van [eiser], verder: Fontijn) van 1 augustus 2003, waarbij de vennootschap werd vertegenwoordigd door "haar bestuurder [eiser]";
- een brief van Fontijn van 18 september 2003 aan mr. Stam, waarin Fontijn schrijft: "Voor de goede orde deel ik u mede dat [eiser] mij in zijn hoedanigheid van bestuurder van [A] b.v. (...)";
- een e-mail van Fontijn aan mr. Stam van 5 november 2003, waarin onder meer staat: "U weet dat [eiser] formeel directeur is van de vennootschap (...)";
- een brief van Fontijn aan mr. De Jong van 14 juli 2004, waarin wordt verwezen naar een brief van Fonti jn van 16 juni 2004, waaruit wordt geciteerd: "De discussie over het al dan niet statutair directeur ontgaat mij enigszins. Nimmer is door [eiser] bestreden bestuurder te zijn.";
- de stelling van [eiser] bij de toelichting op grief IV inhoudende dat hij dacht bestuurder te zijn.
2.7 Grief II richt zich verder tegen het oordeel van de rechtbank dat [eiser] zich als
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Voor zover op [eiser] enige bewijslast rust biedt hij uitdrukkelijk aan zijn stellingen te bewijzen met behulp van alle middelen rechtens, zowel door geschriften als meer in het bijzonder door het horen van getuigen, waarvan thans onder voorbehoud nog meerdere getuigen te doen horen, kan worden genoemd [eiser] zelf; dit aanbod geldt in het bijzonder (maar niet uitsluitend) de stellingen van [eiser] met betrekking tot a.) de financiering van de vennootschap in verbinding met de oorzaak van het faillissement, b.) het vervuld zijn van de administratieve verplichtingen (en omstandigheden inzake het door [eiser] verschoonbaar niet kunnen voldoend aan de publicatieplicht) en c) het feitelijk bestuurderschap; [eiser] is evenwel niet bereid enig bewijslast op zich te nemen, die rechtens op geïntimeerde rust.”
Tot slot verzoek [eiser] uw hof aan te geven welke omstandigheden u als zwaarwegend aanmerkt en welke daarmee samenhangende vragen zijn opgekomen. Met daaraan het gevolg te verbinden dat hem wordt toegestaan, bijv. door het houden van een comparitie, hierop te reageren.”
primaireoordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd zijn. De rechtbank heeft in rov. 6 van het vonnis van 27 januari 2010 geoordeeld dat [eiser] hoe dan ook als feitelijke beleidsbepaler in de zin van art. 2:248 BW Pro moet worden aangemerkt. Tegen dit oordeel heeft [eiser] geen grief gericht. In cassatie moet dan ook als onbestreden vaststaand feit worden aangenomen dat [eiser] als feitelijke beleidsbepaler van [A] B.V. moet worden aangemerkt en dan heeft [eiser] geen belang bij zijn klachten gericht tegen het oordeel dat hij niet is geslaagd in het voldoende motiveren van zijn grieven gericht tegen het oordeel dat hij formeel bestuurder was van [A] B.V.
onweerlegbaarvermoeden van onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Vervolgens levert het niet voldoen aan de boekhoudplicht of het niet tijdig publiceren van de jaarrekening een
weerlegbaarvermoeden op dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het oorzaak van het faillissement is. Een gering verzuim inzake de boekhoudplicht en publicatieplicht in de zin van art. 2:248 lid 2 BW Pro blijft buiten beschouwing. Of er al dan niet sprake is van een gering verzuim hangt niet alleen af van de duur van de overschrijding, maar van de omstandigheden van het geval af, in het bijzonder de redenen voor de overschrijding. Aan deze – door de bestuurder te stellen en zo nodig te bewijzen – omstandigheden moeten hogere eisen worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is. In rov. 2.5 van het bestreden arrest heeft het hof de grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de publicatieplicht ex art. 2:394 BW Pro door het bestuur van [A] B.V. is geschonden beoordeeld. Hierbij heeft het hof voorop gesteld dat in hoger beroep onbestreden vaststaat dat de jaarrekeningen over 2001 en 2002 niet tijdig zijn opgemaakt en gepubliceerd. Hiermee ontvalt de grond aan middelonderdeel 4.2. Het hof buigt zich vervolgens over de vraag of er sprake was van een gering verzuim in de zin van art. 2:248 lid 2 BW Pro. Deze vraag heeft het hof ontkennend beantwoord met inachtneming van de omstandigheden van het geval waaronder de stelling van [eiser] dat hij niet beschikte over de administratie van de vennootschap omdat deze in het bezit was van [betrokkene 1]. Nu het hof tot het oordeel is gekomen dat er
geensprake was van een gering verzuim in de zin van art. 2:248 lid Pro BW, stond
onweerlegbaarvast dat er sprake was geweest van onbehoorlijk bestuur. Dit heeft het hof vastgesteld in rov. 2.6. Vervolgens stelt het hof vast dat die onbehoorlijke taakvervulling op grond van art. 2:248 lid 2 BW Pro wordt vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn geweest. Dit is een
weerlegbaarvermoeden, maar [eiser] heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep bewijs aangeboden van de stelling dat iets anders dan onbehoorlijk bestuur
eenbelangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Hij heeft zich slechts op het standpunt gesteld (ook in cassatie) dat hij zich kan disculperen van het onbehoorlijk bestuur en dat deze hem niet kan worden aangerekend. Deze grief heeft het hof in rov. 2.7 en 2.8 beoordeeld en het hof is tot het oordeel gekomen dat [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten of omstandigheden dan onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Mijns inziens berusten de bestreden rechtsoverwegingen niet op een onjuiste rechtsopvatting en zijn ze voldoende begrijpelijk gemotiveerd.