Conclusie
eerste middelklaagt over de beslissing van het Hof naar aanleiding van een verweer inzake een gebrek in de oproeping voor de zitting in eerste aanleg van 9 juli 2009.
6.Het eerste middelfaalt.
tweede middelklaagt dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door te oordelen dat aan de verdachte onder 5 impliciet subsidiair een overtreding van art. 342, aanhef en onder 3º, Sr is tenlastegelegd.
15.Het tweede middelfaalt.
derde middelklaagt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het onder 5 bewezenverklaarde het strafbare feit zoals omschreven in art. 342, aanhef en onder 3º, Sr oplevert, nu daarin de bestanddelen ontbreken ‘indien aan hem te wijten is’ en ‘niet in ongeschonden staat worden tevoorschijn gebracht’.
feitelijk leidinggeven aan het niet nakomen van de boekhoudverplichting door de bestuurder van een rechtspersoonlevert volgens de stellers van het middel niet op
het aan het feitelijk leiding geven door de bestuurder van een rechtspersoon te wijten zijn dat de boekhoudverplichting niet is nagekomen. Wat nu afgezien van de bewoordingen precies het inhoudelijke verschil tussen bewezenverklaring en kwalificatie is, wordt door de stellers van het middel niet nader toegelicht. In de kern gaat het om de vraag of van degene die een boekhoudverplichting niet nakomt gezegd kan worden dat de niet nakoming van die boekhoudverplichting aan hem is te wijten. De woorden ‘te wijten’ hebben hier een neutrale betekenis; het gedaan hebben. Ik zie geen verschil en de kwalificatie is dan ook niet onjuist.
19.Het derde middelfaalt.
vierde middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat Stichting [A] bestuurder was van [B] BV en/of [C] BV.
23.Het vierde middelfaalt.
vijfde middelkomt op tegen de verwerping door het hof van het verweer dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
vijfde middelfaalt.