Conclusie
Feiten en procesverloop
( [1] )laten zich kort als volgt samen vatten:
( [2] )
( [3] )Op 24 juni 2003 is [eiseres] tot het bestuur van de Stichting toegetreden en nam zij de positie van voorzitter in. In die hoedanigheid kon zij de Stichting vertegenwoordigen.
( [4] )gesloten, die onder meer het volgende inhoudt:
( [5] )
2.Bespreking van het cassatiemiddel
“De vordering van [betrokkene 1] op de Stichting Beheer Aandelen [C] ter zake van de verkoop, koop en levering van de aandelen in [verweerster 2] en in [verweerster 1] wordt toegedeeld aan [betrokkene 2] onder de verplichting van de vennootschappen om de koopsom die nodig is om aan [eiseres] het op grond van de pensioenbrieven toegekende recht op levenslang nabestaandenpensioen en de uitkering op grond van de stamrechtovereenkomst onder te brengen bij één of meerdere Nederlandse verzekeringsmaatschappijen”.Er wordt hier gesproken van een verplichting van de vennootschappen ([verweerster 1]/Management en [verweerster 2]/ Management) ter zake van het onderbrengen van een koopsom bij een of meer verzekeringsmaatschappijen en niet van een verplichting van [betrokkene 2]. Het overmaken van geldbedragen door [verweersters] naar de rekening van de notaris kan dan ook niet worden opgevat als het voldoen van een schuld van [betrokkene 2] aan [eiseres] en dus ook niet als om die reden niet onverschuldigd gedaan.
( [6] )– toezegging van [A] van nabestaandepensioen ten behoeve van [eiseres] ongeldig acht en dat de betalingen, die op grond van die toezegging aan [eiseres] zijn gedaan, om die reden als onverschuldigd gedaan zijn aan te merken. Een en ander wordt met name bestreden in de subonderdelen 1.1 t/m 1.4.
subonderdeel 1.5is een klacht opgenomen die een prealabel karakter draagt. Betoogd wordt dat, voor zover aan ’s hofs oordeel ten grondslag mocht hebben gelegen dat (al dan niet gelet op de bevriezing van het ouderdomspensioen en/of de fiscale kwalificatie van de pensioentoezegging) niet voldoende vast staat dat [A] een toezegging voor nabestaandepensioen aan [betrokkene 1] heeft gedaan en dat [verweerster 1] de financiële verplichtingen van die toezegging dient te dragen, ’s hofs oordeel dan onbegrijpelijk is.
subonderdelen 1.1 t/m 1.4verdient eerst het volgende opmerking. Toen in april 1999 de toezegging van nabestaandepensioen ten behoeve van [eiseres] werd gedaan, was [betrokkene 1] niet meer in dienst van [A]. Er was in april 1999 dus tussen beiden geen verhouding van werkgever/ werknemer. Toen hield [betrokkene 1] wel nog alle aandelen in [verweerster 1] en daarmee indirect ook alle aandelen in [A] en was hij nog bestuurder van [verweerster 1].
( [7] )niet mogelijk was om een aanvullende pensioentoezegging te doen. Blijkens rov. 2.14 wil het hof hiermee zeggen dat de in april 1999 gedane aanvullende pensioentoezegging ten behoeve van [eiseres] ongeldig – civielrechtelijk gezien: zonder rechtsgevolg – was. Waarom de PSW bij genoemde omstandigheden het doen van een aanvullende pensioentoezegging niet mogelijk of ongeldig maakte, licht het hof niet nader toe. De deskundige voorziet haar standpunt ook niet van een echt duidelijke onderbouwing.
( [8] )Op de verplichting om de uitvoering van door de werkgever toegezegde pensioenrechten aan een derde toe te vertrouwen zijn in lid 3 van artikel 2 uitzonderingen Pro gemaakt, waaronder sub c een uitzondering ten aanzien van de direct of indirect grootaandeelhouder van een onderneming die ook nog anderszins een zodanig werkverband met die onderneming heeft waardoor hij gelijk is te stellen met een werknemer van die onderneming. In de PSW komen ook nog andere bepalingen voor die erop gericht zijn om de instandhouding en verwezenlijking van – in een verhouding van werkgever/ werknemer – verleende pensioenrechten te waarborgen.
( [9] )Er komt in de PSW echter geen bepaling voor die het doen van een pensioentoezegging of het sluiten van een pensioenovereenkomst verbiedt en die toezegging of overeenkomst nietig verklaart in het geval er tussen de toezeggende partij en de wederpartij geen verhouding van werkgever en werknemer bestaat. De hiervoor genoemde ratio van de PSW brengt ook niet een dergelijk verbod en civielrechtelijke nietigheid mee voor het geval dat een verhouding van werkgever en werknemer ontbreekt.