ECLI:NL:PHR:2014:85

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2014
Publicatiedatum
4 maart 2014
Zaaknummer
12/01398
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Nietig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 434 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van onderzoek wegens ontbreken pleitnotities en niet gemotiveerde afwijzing getuigenverzoek

In deze zaak heeft het Gerechtshof te ’s-Gravenhage bij arrest het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld en ontneming daarvan opgelegd aan de betrokkene. Namens de betrokkene zijn vier cassatiemiddelen ingediend, waarvan het eerste middel klaagt over de afwijzing van een verzoek tot het horen van diverse getuigen.

Tijdens de terechtzitting van 29 april 2011 heeft de raadsman gebruikgemaakt van pleitnotities en schriftelijke verklaringen van getuigen, die aan het hof zijn overgelegd. Deze stukken ontbreken echter in de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, waardoor niet kan worden vastgesteld of het verzoek tot het horen van getuigen is gedaan en hoe dit is onderbouwd.

De griffier van het hof heeft bevestigd dat deze pleitnotities verloren zijn geraakt. Dit verzuim is van dien aard dat het strijdig is met een behoorlijke procesorde en onherstelbaar is, waardoor nietigheid van het onderzoek en de uitspraak volgt.

De Procureur-Generaal concludeert daarom tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het hof voor een nieuwe behandeling van het beroep. Een inhoudelijke bespreking van de overige middelen acht hij achterwege kunnen blijven.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontbreken van pleitnotities en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 12/01398 P
Zitting: 4 februari 2014
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[betrokkene]
1. Het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage heeft bij arrest van 1 maart 2012 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 553.494,78,- en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van € 550.000,-.
2. Namens de betrokkene heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, vier middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelklaagt dat de afwijzing van het ter terechtzitting van 29 april 2011 gedane verzoek tot het horen van diverse getuigen in het licht van hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht, onbegrijpelijk is, althans onvoldoende met redenen is omkleed.
4. In het proces-verbaal terechtzitting van 29 april 2011 is het volgende opgenomen:
“De raadsman maakt gebruik van de hem geboden gelegenheid het standpunt van de verdediging nader toe te lichten. Daartoe voert hij het woord overeenkomstig zijn overgelegde en aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotities. In aanvulling op zijn pleitnotities legt de raadsman een aantal op schrift gestelde verklaringen van [getuige 1], [getuige 4], [getuige 2], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7] en [getuige 3] aan het gerechtshof over. De raadsman merkt op dat - indien het hof zulks noodzakelijk acht - voornoemde personen bereid zijn om een getuigenverklaring af te leggen.”
5. De in het proces-verbaal genoemde pleitnotities (evenals de op schrift gestelde en door de raadsman kennelijk overhandigde verklaringen) bevinden zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Bij brief van 16 januari 2014 heeft de griffier van het Hof de Hoge Raad bericht dat deze pleitnotities in het ongerede zijn geraakt. Dit betekent dat niet valt na te gaan of het in het middel bedoelde verzoek is gedaan en, zo ja, op welke wijze dit verzoek is onderbouwd. Dit verzuim moet leiden tot nietigheid van het onderzoek en de uitspraak. [1]
6. Gelet op het voorgaande kan een bespreking van de overige middelen volgens mij achterwege blijven. Mocht Uw Raad een dergelijke bespreking niettemin geboden achten, dan ben ik graag bereid aanvullend te concluderen.
7. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704, NJ 2011/495, rov. 3.7 onder b.