De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt en diefstal van elektriciteit. Het hof kende aan de benadeelde partij, de eigenaar van de woning, een schadevergoeding toe van €15.493,09, bestaande uit kosten voor ontvreemde elektriciteit, herstel van de woning, beschadigde meubels en waardevermindering van de woning.
De advocaat van verdachte stelde cassatiemiddel in tegen de toewijzing van sommige schadeposten, met name die welke niet direct voortvloeien uit het strafbare feit zoals waardevermindering en schade aan meubels. De Hoge Raad overwoog dat rechtstreekse schade alleen bestaat indien het belang wordt beschermd door de overtreden strafbepaling. De Opiumwet beschermt primair de volksgezondheid en openbare orde, niet vermogensschade aan meubels of waardevermindering van onroerend goed.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende gemotiveerd had waarom deze schadeposten als rechtstreekse schade moesten worden beschouwd. De schade aan meubels en waardevermindering behoren niet tot de door de Opiumwet beschermde belangen en vormen vermogensschade waarvoor de benadeelde partij zich tot de burgerlijke rechter moet wenden.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest voor zover het deze schadeposten toewijst en stelde voor de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in die vordering. De zaak werd terugverwezen voor een aangepaste beslissing over de schadevergoeding en de bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.