ECLI:NL:PHR:2015:1007
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet tijdig indienen cassatiemiddelen
Het Gerechtshof te Den Haag heeft verdachte veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf wegens het voorbereiden van een feit als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet, door een ander te bewegen dat feit mede te plegen.
Verdachte stelde beroep in cassatie in, waarvoor de aanzegging op 4 november 2014 werd betekend. Volgens artikel 437, tweede lid, Sv moet binnen twee maanden na deze aanzegging een schriftuur met middelen van cassatie worden ingediend door een raadsman.
Binnen deze termijn is geen schriftuur ingediend, waardoor verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van de schriftuur met middelen van cassatie.