Conclusie
“diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, een en ander als vermeld in het bestreden arrest.
Het namens de verdachte ingediende middelklaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, althans dat ’s hofs verwerping van het gevoerde verweer onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd.
aangeefster [betrokkene 1]:
mededeling van verbalisanten (of één van hen):
mededeling van verbalisant:
verdachte:
de getuige [betrokkene 3]:
Ik rij in de auto van mijn moeder. Ik kom met de auto in Amsterdam en Ouderkerk aan de Amstel”. Verder houden de bewijsmiddelen in dat een getuige een jongen bij de plaats delict heeft gezien die zich verdacht gedroeg en van wie de getuige de volgende omschrijving geeft: “
blank, zwarte baseballpet, spijkerbroek en een opvallende zilveren ketting”, dat zij deze jongen later met een zwart/grijze doos in zijn handen zag weglopen en dat hij in de Ford Fiësta stapte en dat de auto wegreed, dat zij zag dat de bestuurder van de auto een opvallend groot horloge om had en dat een andere getuige de bestuurder omschrijft als: “
man, licht getint uiterlijk, kort geschoren haar, gemillimeterd, 20/21 jaar oud, smal gezicht”.
de verdachte en/of zijn mededader zich de toegang (enz)”. Nu het middel echter ook in die situatie mijns inziens terecht is voorgesteld, ga ik niet verder in op de beantwoording van die vraag. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan namelijk zonder nadere motivering (die ontbreekt), niet volgen dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit (al dan niet als bestuurder) als een van de vier personen in de Ford Fiësta zat. Daarbij neem ik in aanmerking dat het, gelet op verdachtes verklaring “
dat hij in de auto van zijn moeder rijdt”, weliswaar
goed mogelijkis dat hij ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit in die auto reed, maar dat het met die verklaring nog niet
vaststaatdat hij dat ook deed ten tijde van het bewezenverklaarde feit. Dat het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario met betrekking tot degene die de auto van verdachtes moeder heeft geleend weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen, zoals het hof oordeelt, vind ik dan ook niet begrijpelijk.
namens de benadeelde partij voorgestelde ‘middel’houdt in: “Cliënte verzoekt uw College om het arrest zoals in deze zaak op 22 mei 2014 gewezen door het Gerechtshof te Amsterdam te bevestigen”.