Art. 81 lid 1 ROArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 17 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieArt. 354 lid 2 Fw
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beëindiging schuldsanering zonder schone lei wegens tekortkomingen informatieplicht en boedelafdracht
De rechtbank Zeeland-West-Brabant beëindigde op 24 februari 2015 de schuldsaneringsregeling van verzoeker zonder toekenning van de schone lei, omdat verzoeker toerekenbaar tekort was geschoten in zijn informatieplicht, het voorkomen van bovenmatige schulden en de afdrachtplicht.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bevestigde dit bij arrest van 9 april 2015, stellende dat verzoeker zich structureel niet aan de informatieplicht hield, sinds maart 2014 geen boedelafdrachten meer had gedaan en geen plan overhandigde om de achterstand in te lopen. Het hof zag hierin aanwijzingen voor gebrek aan medewerking en zag geen reden om deze tekortkomingen buiten beschouwing te laten.
Verzoeker stelde cassatie in met twee klachten: het hof had niet ambtshalve de toerekenbaarheid van de tekortkomingen getoetst en had niet ambtshalve art. 1 EerstePro Protocol EVRM en art. 17 HandvestPro van de Grondrechten van de EU toegepast. De Hoge Raad verwierp deze klachten, oordelend dat het hof de toerekenbaarheid wel degelijk had beoordeeld en dat er geen verplichting bestaat tot ambtshalve toepassing van deze bepalingen buiten het partijdebat.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Er is geen sprake van onjuiste rechtsopvatting of schending van ambtshalve toetsingsverplichtingen. De procedure bevestigt het belang van medewerking aan schuldsanering en de grenzen van ambtshalve toetsing van mensenrechtenbepalingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beëindiging van de schuldsanering zonder schone lei blijft in stand.
Conclusie
15/01852
Mr. L. Timmerman
Zitting 12 juni 2015
Conclusie inzake:
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie
(hierna: [verzoeker]).
1. Procesverloop
1.1 De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft bij vonnis van 24 februari 2015 de toepassing van de schuldsaneringsregeling, die op 8 december 2011 ten aanzien van [verzoeker] was uitgesproken, beëindigd zonder toekenning van de zogenoemde schone lei, omdat [verzoeker] toerekenbaar zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van zijn informatieverplichting, de verplichting om geen bovenmatige schulden te laten ontstaan, en de afdrachtplicht (rov. 3.5 t/m 3.7).
1.2 In het hiertegen door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 9 april 2015 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof kort gezegd overwogen dat [verzoeker] zich structureel niet heeft gehouden aan de aan hem in het kader van de schuldsaneringsregeling opgelegde informatieplicht (rov. 3.7.2) en vanaf maart 2014 geen boedelafdrachten meer heeft gedaan en evenmin een concreet plan van aanpak heeft overgelegd om de boedelachterstand in te lopen, indien de termijn van de schuldsaneringsregeling zou worden verlengd (rov. 3.7.3). Hierin zag het hof duidelijke aanwijzingen dat het bij [verzoeker] aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken, en zag het hof geen aanleiding om op de voet van art. 354 lid 2 FwPro te bepalen dat deze tekortkomingen gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft (rov. 3.7.4).
1.3 [verzoeker] heeft met een op 17 april 2015 ter griffie van de Hoge Raad der Nederlanden en derhalve tijdig ingekomen verzoekschrift beroep in cassatie tegen het arrest van 9 april 2015 ingesteld.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het cassatiemiddel omvat één onderdeel. Daarin ontwaar ik twee klachten. Volgens [verzoeker] heeft het hof (i) ten onrechte niet ambtshalve getoetst of zijn tekortkomingen toerekenbaar zijn, en (ii) ten onrechte nagelaten art. 1 EerstePro Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden en art. 17 HandvestPro van de Grondrechten van de Europese Unie ambtshalve toe te passen.
2.2 Klacht (i) stuit af op een gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in rov. 3.7.4 wel degelijk zich over de toerekenbaarheid van de vastgestelde tekortkomingen gebogen. Klacht (ii) berust op een onjuiste rechtsopvatting. Ten aanzien van art. 1 EPPro EVRM geldt er geen verplichting tot ambtshalve toepassing buiten het partijdebat [1] . Datzelfde dient m.i. te worden aangenomen ten aanzien van art. 17 HandvestPro [2] . Voor zover klacht (ii) moet worden begrepen als een klacht over ambtshalve aanvulling van rechtsgronden, faalt het eveneens aangezien in cassatie gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] in feitelijke instanties een beroep op het EVRM of het Handvest heeft gedaan.
2.3 Gelet op het voorgaande is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
1.Vgl. onder meer A.J.P. Schild, ‘De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht’, 2012, p. 42-47 met uitvoerige verwijzingen naar rechtspraak en literatuur.
2.Zie in deze zin T. Barkhuysen, A.W. Bos, ‘De betekenis van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie voor het bestuursrecht: een actualisatie anno 2012’, JBplus 2014, p. 90 e.v. Het onderdeel haalt overigens de rechtstreekse (horizontale) werking van Unierecht enerzijds en de ambtshalve toepassing van het EVRM en het Handvest buiten de grenzen van de rechtsstrijd ten onrechte door elkaar.