Het Hof heeft daarentegen het volgende overwogen en beslist:
“De verdachte heeft zowel tijdens zijn verhoor bij de politie op 6 december 2007, als bij de reconstructie op 14 februari 2012, als op de terechtzitting in eerste aanleg van 11 september 2012 het volgende verklaard - samengevat weergegeven - :
“Het slachtoffer kwam opgewonden en met veel lawaai en gebaren het privégedeelte binnen, waarbij hij tegen [betrokkene 1] aankwam en met hem in gevecht raakte. Ik schrok hiervan. [betrokkene 2] gaf mij een pistool en zei dat ik het pistool in mijn zak moest steken. Dat heb ik gedaan. Het pistool zat in mijn rechterbroekzak. Ik wist niet dat het wapen geladen was. [betrokkene 1] was op dat moment nog in gevecht met het slachtoffer. Het slachtoffer zal gehurkt en binnen enkele seconden zag ik het slachtoffer omhoog komen. Ik zag hem een gebaar maken om een vuurwapen te pakken. Ik zag ook iets van metaal wat ik voor een wapen aanzag. Ik werd ineens doodsbang en raakte in paniek. Het slachtoffer stond heel dicht bij mij, op ongeveer een halve meter tot een meter en ik kon nergens naar toe omdat [betrokkene 1] naast mij stond. Daarom heb ik uit paniek, op het moment dat het slachtoffer dat gebaar maakte, het pistool uit mijn zak getrokken en heb ik op het slachtoffer geschoten. Ik heb het slachtoffer als het ware van mij afgeschoten. Het slachtoffer bleef namelijk op mij afkomen. Hij stond heel dicht bij mij. In mijn herinnering heb ik achter elkaar door geschoten terwijl ik vluchtende was. Ik hoorde meteen een knal toen ik de trekker de eerste keer overhaalde”.
Tijdens de reconstructie heeft de verdachte aangegeven dat hij ter hoogte van de bank stond op het moment dat hij zag dat het slachtoffer het gebaar maakte om een wapen te pakken. Tussen hem en de deur die toegang gaf tot het voorste gedeelte zou volgens de verdachte [betrokkene 1] hebben gestaan.
Noodweer
De door verdachte en diens raadsman aan het verweer ten grondslag gestelde feitelijke toedracht rechtvaardigt naar het oordeel van het hof geen beroep op noodweer of noodweerexces.
Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Daarnaast dient de wijze van verdediging noodzakelijk en geboden te zijn.
Op het moment dat de verdachte het vuurwapen uit zijn zak trok en op het slachtoffer schoot, was naar het oordeel van het hof geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding die een handeling ter verdediging rechtvaardigde. Het slachtoffer was door toepassing van geweld naar de grond gewerkt en werd als enige in die ruimte fysiek belaagd, waarbij [betrokkene 1] het slachtoffer de baas was. De enige aanwijzing dat het slachtoffer de verdachte ging aanvallen moet worden gevonden in het gebaar dat de verdachte hem bij het omhoog komen heeft zien maken en het feit dat de verdachte daarbij 'iets van metaal' meent te hebben gezien. Voor zover dit gebaar, gelet op de penibele situatie waarin het slachtoffer zich in het gevecht met [betrokkene 1] bevond, al als een aanranding van verdachte 's lijf zou kunnen worden aangemerkt, dan was deze aanranding naar het oordeel van het hof in elk geval niet wederrechtelijk. Het slachtoffer was zich hiermee immers tegen de op hem gerichte aanval aan het verdedigen. Dat de verdachte in reactie daarop met het pistool op het slachtoffer schoot, staat daarbij in geen verhouding tot de ernst van de door de verdachte ervaren aanranding, die niet meer behelsde dan het gebaar en de mogelijke waarneming van iets van metaal, dat, naar op grond [van] het dossier is komen vast te staan, in ieder geval geen vuurwapen was. Naar het oordeel van het hof was het daarna geenszins noodzakelijk dat de verdachte bij wijze van verdediging meer schoten op het slachtoffer afvuurde, ook al zou het slachtoffer volgens de verklaring van de verdachte na het eerste schot op hem af zijn gekomen. De verdachte had zich aan een (verdere) confrontatie, voor zover daarvan sprake was, kunnen onttrekken door via de deur naar het voorste gedeelte van het kantoor te gaan, waar de verdachte, zo blijkt uit de door verdachte zelf gegeven reconstructie, net voor en ten tijde van het eerste schot zelf het dichtst bij stond.
Het voorgaande brengt mee dat de verdachte geen beroep op noodweer en dientengevolge ook geen beroep op noodweerexces toekomt.”