ECLI:NL:PHR:2015:1033

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2015
Publicatiedatum
9 juli 2015
Zaaknummer
14/03145
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.2 WVW 1994Art. 163 lid 2 WVW 1994Art. 68 SrArt. 344 lid 1 onder 1° SvArt. 344 lid 1 onder 5 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens dubbele vervolging bij alcoholslotprogramma en weigering ademonderzoek

In deze zaak stond de vraag centraal of het openbaar ministerie ontvankelijk was in de strafvervolging tegen verdachte, die tevens een onherroepelijke verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma (ASP) had opgelegd gekregen voor hetzelfde feit: de weigering mee te werken aan een ademonderzoek.

De Hoge Raad herhaalde eerdere overwegingen dat dubbele vervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde en kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Hoewel het hof het OM ontvankelijk had verklaard, bleek uit nader onderzoek dat verdachte inderdaad onherroepelijk tot deelname aan het ASP was verplicht gesteld voor hetzelfde feitencomplex.

De Hoge Raad vernietigde daarom het bestreden arrest en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging. Tevens werd de zaak afgedaan zonder verdere behandeling. De uitspraak bevestigt dat het opleggen van een ASP en strafvervolging voor hetzelfde feit niet naast elkaar kunnen bestaan zonder schending van het ne bis in idem-beginsel.

Verder oordeelde de Hoge Raad over bewijs en vormverzuimen, waarbij het ontbreken van een handtekening op een proces-verbaal niet leidde tot bewijsuitsluiting, mits het document voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. De bewezenverklaring van de weigering mee te werken aan het ademonderzoek werd daarmee bevestigd.

Deze uitspraak verduidelijkt de procedurele rechten van verdachten in ASP-zaken en benadrukt het belang van het voorkomen van dubbele bestraffing in het strafrecht.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens dubbele vervolging met betrekking tot het alcoholslotprogramma en de strafvervolging voor weigering ademonderzoek.

Conclusie

Nr. 14/03145
Zitting: 16 juni 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 2 juni 2014 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van € 700,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen hechtenis. Het hof heeft verdachte daarnaast de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van 4 maanden.
Mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat te Amersfoort, heeft namens verdachte twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt.
Het hof heeft vastgesteld dat in een tot bewijs gebezigd proces-verbaal van politie onder de naam van verbalisant De Ruit niet diens handtekening staat (maar kennelijk de handtekening van iemand anders). Dat levert volgens het hof een onherstelbaar vormverzuim op, nu die handtekening deel uitmaakt van het genoemde proces-verbaal. Het hof heeft echter geoordeeld dat dat geen grond is voor niet-ontvankelijkverklaring. Het hof is kennelijk evenmin van oordeel dat het grond is voor bewijsuitsluiting gezien het feit dat bedoeld proces-verbaal door het hof tot bewijs is gebezigd. Die oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn ook niet onbegrijpelijk. Het ontbreken van de juiste handtekening betekent immers niet zonder meer dat dat proces-verbaal niet tot bewijs kan worden gebezigd. Het betekent alleen dat geen sprake is van een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal als bedoeld in art. 344 lid 1 onder Pro 1° Sv, en dus niet van een bewijsmiddel dat op grond van art. 344 lid 5 Sv Pro op zichzelf voldoende is voor een bewezenverklaring. Het document kan echter wel worden aangemerkt als een ‘ander geschrift’ in de zin van art. 344 lid 1 onder Pro 5 Sv en als zodanig tot bewijs worden gebezigd, zij het uitsluitend “in verband met den inhoud van andere bewijsmiddelen”. Dat is hier het geval nu naast genoemd document, niet alleen het in het middel genoemde (wél ambtsedig opgemaakt) proces-verbaal ten aanzien van de verrichte ademanalyse tot bewijs is gebezigd, maar ook de verklaring van verdachte, inhoudend dat hij de bewuste nacht inderdaad niet heeft meegewerkt aan de ademanalyse. Daardoor vindt genoemd document voldoende steun in de overige gebezigde bewijsmiddelen uit andere bron en is de bewezenverklaring van kortgezegd de weigering mee te werken aan een ademonderzoek, voldoende naar de eis der wet met redenen omkleed.
Het middel faalt.
In het
tweede middelwordt geklaagd dat het hof verdachte ten onrechte voor eenzelfde feit andermaal heeft gestraft.
De onderhavige veroordeling betreft zoals gezegd het niet meewerken aan een ademonderzoek op 19 augustus 2012. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat het CBR voor diezelfde weigering om mee te werken aan verdachte de maatregel van het Alcoholslotprogramma (ASP) heeft opgelegd. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof Den Haag van 22 september 2014 [1] , wordt betoogd dat die maatregel moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM Pro en dat daarom het openbaar ministerie in de onderhavige zaak niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden nu verdachte bescherming had moeten worden geboden tegen een dubbele bestraffing.
8. Tegen genoemd arrest van het Hof Den Haag is cassatie ingesteld en de Hoge Raad heeft dat cassatieberoep verworpen in de zogenaamde Alcoholslotzaak. [2] Hoewel volgens de Hoge Raad art. 68 Sr Pro in dat geval niet van toepassing was omdat geen sprake was van – kort gezegd – meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter, oordeelde de Hoge Raad dat de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank wel in strijd is met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het ASP is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen volgens de Hoge Raad immers meebrengen – en brengen in die gevallen ook mee – dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft.
9. Ik merk in de eerste plaats op dat ook hier art. 68 Sr Pro niet van toepassing is, nu geen sprake is van meerdere onherroepelijke beslissingen van de strafrechter. Voor zover in het middel wordt geklaagd over schending van genoemde bepaling, faalt het. Ik meen echter dat dit verdachte niet kan worden tegengeworpen omdat de cassatieschriftuur dateert van voor het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015, waarbij de Hoge Raad zoals hiervoor onder 8 vermeld heeft beslist. Op grond daarvan acht ik het billijk dat de klacht in het middel wordt opgevat als een klacht dat de strafvervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde.
10. De vraag is vervolgens of ook in de onderhavige zaak sprake is van een strafvervolging die in strijd is met de beginselen van een goede procesorde vanwege een onherroepelijk geworden oplegging van een ASP aan verdachte op grond van hetzelfde feit als waar de strafvervolging op ziet. Hoewel het bij de onderhavige strafvervolging niet gaat om het rijden onder invloed zoals in het hiervoor genoemde arrest, maar om de weigering mee te werken aan een ademonderzoek, doet dat niet af aan de toepasselijkheid van de hiervoor weergegeven overwegingen van de Hoge Raad op de onderhavige zaak. Het gaat er immers om of naast een strafvervolging een ASP is opgelegd voor hetzelfde strafbare feit. Niet van belang is welk strafbare feit dat dan betreft.
11. Nu kan uit de stukken in het dossier niet onomstotelijk worden opgemaakt dat een ASP aan verdachte is opgelegd, laat staan dat het is opgelegd ter zake van hetzelfde strafbare feit als waarvoor verdachte in het bestreden arrest is veroordeeld. Blijkens de processen-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep hebben de verdachte en zijn raadsman op beide zittingen gesteld dat een ASP aan verdachte was opgelegd, maar dat hij geen gevolg heeft gegeven aan dat besluit omdat hij ervoor heeft gekozen zich te verdedigen en tot de dag van de terechtzitting in hoger beroep (van 2 juni 2014) geen rijbewijs heeft. Noch de rechtbank, noch het hof is daarop ingegaan en uit het arrest blijk niet dat die door de verdediging gestelde omstandigheid een rol heeft gespeeld bij de vordering van het openbaar ministerie of bij de strafoplegging. Ook overigens blijkt niet uit het dossier dat aan verdachte een ASP is opgelegd. Wel blijkt daaruit dat verdachte zijn rijbewijs voor negen maanden is ingevorderd met ingang van 19 augustus 2012. Ik heb daarom op 7 mei 2015 navraag gedaan bij het openbaar ministerie en mij is door advocaat-generaal mr. Van Leent, Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, op 19 mei 2015 per e-mail medegedeeld dat aan verdachte inderdaad op 31 augustus 2012 een ASP is opgelegd wegens hetzelfde feitencomplex als waar de onderhavige strafzaak op ziet, te weten de weigering mee te werken aan een ademanalyse op 19 augustus 2012. De desbetreffende e-mailwisseling is op 8 juni 2015 aan de raadsman van verdachte toegezonden en hierop is binnen de gestelde termijn (uiterlijk 15 juni 2015) geen reactie binnengekomen.
12. Gelet op het voorgaande moet er in cassatie vanuit worden gegaan dat in de onderhavige zaak aan verdachte onherroepelijk de verplichting tot deelname aan het ASP is opgelegd. Dat betekent dat het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging niet juist is en dat het middel slaagt, [3] zodat het cassatieberoep gegrond moet worden verklaard en het bestreden arrest moet worden vernietigd. Nu de zaak tot niets anders kan leiden dan tot het oordeel dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging, kan de Hoge Raad om doelmatigheidsredenen de zaak zelf in die zin afdoen. [4]
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest behoudens voor zover daarbij het vonnis van de politierechter is vernietigd en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434.
3.Zie het eerder genoemde HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434, rov. 4.5.
4.Zie bijvoorbeeld: HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1561 en HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:114.