ECLI:NL:PHR:2015:1035

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2015
Publicatiedatum
9 juli 2015
Zaaknummer
14/03174
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in cassatie wegens niet tijdig indienen middelen

Verdachte is bij arrest van 20 december 2013 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld wegens medeplegen van voorbereiding van moord, overtreding van het vuurwapenverbod en deelneming aan een criminele organisatie. Hij kreeg een gevangenisstraf van vier jaar en negen maanden met aftrek van voorarrest.

Verdachte stelde beroep in cassatie in op 7 januari 2014. Op 5 oktober 2014 ontving hij persoonlijk een aanzegging met een termijn van zestig dagen om cassatieschriftuur in te dienen. Omdat verdachte niet binnen deze wettelijke termijn door een raadsman middelen van cassatie heeft ingediend, is het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet nageleefd.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is daarom dat verdachte niet kan worden ontvangen in het cassatieberoep, wat leidt tot niet-ontvankelijkverklaring. Er is samenhang met andere zaken, maar in deze zaak is geen inhoudelijke beoordeling van de middelen gegeven.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet tijdig indienen van middelen.

Conclusie

Nr. 14/03174
Zitting: 2 juni 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 20 december 2013 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, wegens 1. “medeplegen van voorbereiding van het misdrijf moord waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld” 2. “overtreding van een bij artikel 3 van Pro de Vuurwapenverordening 1930 gesteld verbod” en (II)1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en negen maanden, met aftrek van het voorarrest. Tevens is beslist over het beslag.
Er bestaat samenhang tussen de zaken 14/01796, 14/03171 en 14/03173. In deze zaken zal ik vandaag eveneens concluderen.
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld op 7 januari 2014.
Op 5 oktober 2014 is de aanzegging aan de verdachte in persoon uitgereikt, waarbij hem een termijn van zestig dagen is gesteld voor het doen indienen van de cassatieschriftuur. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG