Conclusie
2.Procesverloop
3.Onderdelen 1 en 2; verzekeringstechnisch nadeel volgens de Rekenregels
Onderdeel 1in gericht tegen rov. 3.10 en betoogt in de kern dat van ‘onderdekking’ als bedoeld in de Rekenregels sprake is zolang het bedrijfstakpensioenfonds haar streefdekkingsgraad nog niet bereikt heeft. De streefdekkingsgraad is volgens het middel de dekkingsgraad als bedoeld in de op basis van (destijds) art. 9c Pensioen- en spaarfondsenwet vast te stellen Actuariële en bedrijfstechnische nota (Abtn).
Onderdeel 2is gericht tegen rov. 3.8 en betoogt in de kern dat de herstelpremie werd aangewend voor de inkoop van aanspraken voor inactieven als bedoeld in art. 1 onder Pro c van de Rekenregels, omdat door toekenning van indexatie inkoop plaatsvindt van een extra, verhoogd pensioen.
Richtlijnen voor deelneming aan het bedrijfspensioenfondsvan 13 mei 1949. [18] In art. 1 sub d verschijnt Pro voor het eerst de term ‘verzekeringstechnisch nadeel’:
Kabinetsstandpunt “Naar meer marktwerking in de pensioensector: flexibilisering en verplichtstelling” van 17 september 1996. In dit kabinetsstandpunt stond onder meer het volgende over de mate waarin het behouden van solidariteit wenselijk werd geacht: [26]
Bij Bpf-en ontbreekt in de premiestelling deze actuariële equivalentie ook op het niveau van de individuele onderneming.
3. Compensatie verzekeringstechnisch nadeel
STAR-advies “Verruiming dispensatieverlening bij verplicht gestelde bedrijfspensioenfondsen” uit. [30]
solidariteitsbijdragente berekenen werd een formule voorgesteld op basis van de doorsneepremie en de actuariële lasten van het totale bestand respectievelijk het uittredende bestand. Aanvullend werd opgemerkt (p. 18-19), dat:
indexeringsrisicowerd opgemerkt (p. 20):
7.4 Indexeringsrisico
onderdekkingvermeldt het rapport (p. 20-21):
7.6 Onderdekking
Ten aanzien van het mogelijke verzekeringstechnisch nadeel van onderdekking is de werkgroep van oordeel dat dit ineens verrekend zou moeten worden bij de vaststelling van de overdrachtswaarde.” (mijn onderstreping, A-G)
onderdekkingspercentage kan bepaald worden op basis van de uit het jaarverslag van het BPF blijkende verhouding tussen de verplichtingen en het vermogen.
Vrijstellingsregeling Wet bedrijfspensioenfondsvan 24 april 1998. [31] Bij deze regeling behoorden ook
de Rekenregels.
Verzekeringstechnisch nadeel (artikel 7, vierde lid)
De compensatie ziet in de eerste plaats op de solidariteitsbijdrage. De leeftijdsopbouw, de bestandssamenstelling naar mannen en vrouwen en de salarisopbouw kunnen hiervoor de verklarende factoren zijn.In de berekeningen is er van uitgegaan dat deze verschillen in een periode van 10 jaar naar nul teruglopen, dit in afwijking van de Stichting van de Arbeid die hier een termijn van 12 jaar heeft geadviseerd. (…) ” (mijn onderstreping, A-G)
te missen solidariteitsbijdragenals gevolg van het uittreden uit het fonds.
de kostendie redelijkerwijs verbonden zijn aan de behandeling van het dispensatieverzoek.
onderdekking, mag dit er niet toe leiden dat de financieringsachterstand wordt verhaald op de bij het bedrijfspensioenfonds achterblijvende bedrijfsgenoten. De bedrijfsgenoot aan wie de vrijstelling is verleend dient dan op dezelfde wijze als de achterblijvende bedrijfsgenoten bij te dragen in de financiering van de achterstand. Partijen kunnen overeen komen dat dit in één keer wordt afgerekend.” (mijn onderstrepingen, A-G)
Wet Bpf 2000. De vrijstellingsmogelijkheid is opgenomen in art. 13 Wet Pro Bpf 2000 en uitgewerkt in het
Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (Vbbpf). [32] In de Wet Bpf 2000 en het Vbbpf zijn het solidariteitsbeginsel en hantering van de bijbehorende doorsneepremie als wezenskenmerken van de bedrijfstakpensioenfondsen overeind gebleven. [33] Het Vbbpf is zakelijk gelijkluidend aan het Vrijstellingsbesluit. De Nota van Toelichting op art. 7 lid 4 Vbbpf Pro is zakelijk gelijk aan die van de toelichting op de Vrijstellingsregeling: [34]
Circulairevan 30 september 2002, getiteld “
Uitgangspunten voor de financiële opzet en positie van pensioenfondsen”, werden ook richtlijnen voor de vaststelling van de vermogenspositie van pensioenfondsen geformuleerd en duidelijkheid geboden over de aanpak van situaties waarin de vermogenspositie van het fonds niet toereikend was. Daartoe onderscheidde de PVK twee situaties: onderdekking en reservetekort.
onvoorwaardelijke pensioenaanpassingen moet worden gereserveerd binnen de VPV.
FTK-Hoofdlijnennotagenoemd. [40] De nota schetste de uitgangspunten voor het financieel toetsingskader voor het toezicht op de uitvoering van pensioenregelingen. Het solvabiliteitstoezicht zou worden gerealiseerd door in de wet expliciet in te gaan op de kaders voor onder meer de technische voorzieningen (= waardering van de verplichtingen) en het (minimaal) vereiste eigen vermogen. Dat strookte met de nog om te zetten Richtlijn pensioeninstellingen 2003/41/EG, [41] die onder meer het vereiste van een minimum dekkingsgraad introduceerde (zie bij 3.20.4).
Het eigen vermogen is te onderscheiden in een «vereist eigen vermogen» waarbinnen een «minimaal vereist eigen vermogen» is te onderscheiden. Voor het geval dat het fonds geen risico draagt (zoals het geval is bij een bestemmingsreserve) is er geen eis om voor dat deel eigen vermogen aan te houden.
Voor de berekening van het minimaal vereist eigen vermogen zijn de voorschriften in de richtlijn pensioeninstellingen bepalend. Dit minimaal vereist eigen vermogen bedraagt ca. 5% van de technische voorzieningen.
minder middelen dan de hoogte van de technische voorzieningen (dus terecht komt in een situatie van onderdekking). Daarbij wordt uiteraard rekening gehouden met de aard en de risico's (dus het risicoprofiel) van het pensioenfonds.” (onderstreping toegevoegd, A-G)
onderdekking - dat wil zeggen een dekkingsgraad onder de 100% - terecht zou komen.Voor een standaardpensioenfonds betekent dit een dekkingsgraad van niet meer dan 130%. Dat betekent dat het fonds dient te beschikken over een (vereist) eigen vermogen van ten minste 30%. Komt een fonds onder de vereiste dekkingsgraad, dan dient een herstelplan te worden opgesteld. Dit herstelplan moet ter beoordeling aan de toezichthouder worden voorgelegd. Het fonds krijgt in beginsel maximaal 15 jaar de tijd om weer aan de vereisten te voldoen.
Het minimaal vereiste eigen vermogen komt op grond hiervan uit op circa 5% van de technische voorzieningen. Dit leidt dus tot een minimaal vereiste dekkingsgraad van 105%.De Richtlijn Pensioeninstellingen stelt verder dat iedere pensioeninstelling te allen tijde over voldoende activa moet beschikken om de technische voorzieningen te dekken (artikel 16, lid 1). Slechts gedurende een korte periode is het een pensioeninstelling toegestaan om over onvoldoende activa te beschikken om de technische voorzieningen te dekken. De genoemde voorschriften uit de Richtlijn Pensioeninstellingen gezamenlijk hebben geleid tot het uitgangspunt dat een fonds dat onder de 105% dekkingsgraad komt, direct een herstelplan aan de toezichthouder dient voor te leggen, waaruit blijkt dat het minimaal vereiste eigen vermogen zo snel mogelijk - en formeel binnen één jaar - wordt hersteld. Hier geldt een kortere termijn omdat er sprake is van een grotere probleemsituatie: de grens van de technische voorzieningen wordt dicht genaderd.”
d. 105%-volatiliteit.
Een dekkingstekort moet binnen een jaar worden ingelopen; een reservetekort (dekkingsgraad is lager dan 130%) binnen vijftien jaar.” (onderstreping toegevoegd, A-G)
Toekomst van het pensioenstelseluit 2012 is onder meer voorgesteld om te komen tot een systematiek waarbij financiële schokken geleidelijk zouden kunnen worden opgevangen. In dat verband wordt het begrip onderdekking gerelateerd aan de situatie dat het minimaal vereiste dekkingsgraad lager is dan 105%. [47] Over indexatie wordt op p. 25 opgemerkt:
Indexatieambitie: De pensioenverplichtingen van het pensioenfonds worden nominaal uitgedrukt. Er wordt geen minimale indexatieambitie voorgeschreven. Fondsen met een indexatieambitie mogen pas volledig indexeren als ze een voldoende hoge dekkingsgraad hebben om naar verwachting ook toekomstige pensioenen volledig te indexeren (normdekkingsgraad). Bij de vaststelling van het niveau van deze normdekkingsgraad wordt rekening gehouden met het feit dat voorwaardelijke indexatie deels uit toekomstig rendement kan worden gefinancierd. Deze normdekkingsgraad zal (uitgaande van indexatie op basis van de prijsontwikkeling) voor een gemiddeld fonds 125% à 130% bedragen. Gedeeltelijke indexatie tussen een dekkingsgraad van 105% en de normdekkingsgraad is toegestaan.”
Wet aanpassing financieel toetsingskader(Stb. 2014/567) ingevoerd. Als gevolg daarvan werkt de Pensioenwet per 1 januari 2015 met het begrip ‘beleidsdekkingsgraad’, dat wil zeggen de gemiddelde dekkingsgraad van de 12 maanden voorafgaand aan het moment van vaststelling (art. 133a Pensioenwet).
Ligt de beleidsdekkingsgraad van een pensioenfonds per het einde van een kalenderkwartaal beneden de beleidsdekkingsgraad behorend bij het vereist eigen vermogen, dan moet dit onverwijld worden gemeld aan de toezichthouder én moet het daarop volgende kalenderkwartaal (derhalve binnen 3 maanden) een concreet en haalbaar herstelplan ter instemming bij de toezichthouder zijn ingediend (artikel 138 PW Pro). Dat herstelplan moet ingaan uiterlijk 6 maanden na het ontstaan van het reservetekort. Het herstelplan moet laten zien dat het pensioenfonds binnen maximaal 10 jaar weer over een vereist eigen vermogen beschikt. De huidige herstelplan termijnen van 3 respectievelijk 15 jaar vervallen. De toezichthouder kan onder omstandigheden afdwingen dat een herstelplan eerder wordt ingediend en/of dat een kortere hersteltermijn dan 10 jaar wordt gehanteerd. Dit is een jaarlijks terugkerende verplichting (in beginsel gerekend vanaf het tijdstip van het reservetekort) zolang sprake is van een reservetekort. Op deze wijze worden financiële schokken (beleggingsmarkten, stijgende levensverwachting) beter dan tot 2015 het geval was in de tijd gespreid. (…)
Maar een pensioenfonds mag niet langer dan 5 achtereenvolgende jaren in een dekkingstekort verkeren (dat wil zeggen beleidsdekkingsgraad ligt onder de maandelijkse dekkingsgraad horend bij het minimum vereist eigen vermogen).Is dat wel het geval dan moet het pensioenfonds binnen 6 maanden maatregelen nemen die leiden tot het minimum vereist eigen vermogen (artikel 140 PW Pro). Overigens hoeft dat niet als de feitelijke maandelijkse dekkingsgraad op het evaluatiemoment ligt boven de dekkingsgraad behorend bij het minimum vereist eigen vermogen. Ligt ook de feitelijke dekkingsgraad onder de dekkingsgraad behorend bij het minimum vereist eigen vermogen dan moeten die maatregelen wel genomen worden.” (onderstreping toegevoegd, A-G)
subonderdeel 1.1betoogt dat van ‘onderdekking’ als bedoeld in de Rekenregels sprake is zolang het bedrijfstakpensioenfonds haar in de Abtn genoemde streefdekkingsgraad nog niet bereikt heeft.
free rider-probleem waarop PNO (s.t. nr. 3.2.13) wijst. Uit de achtergrond van de Rekenregels, zoals te kennen uit het STAR-advies, volgt echter dat bij de omlijning van het begrip ‘verzekeringstechnisch nadeel’ sprake is geweest van een beperking op grond van een keuze om alleen bepaalde nadelen te compenseren. Deze keuze werd overigens gemaakt in de wetenschap dat ten aanzien van bepaalde nadelen die niet zouden worden gecompenseerd, in abstracto een zekere make van uitruil met bepaalde voordelen aanwezig zou zijn (zie bij 3.10.4 en 3.10.6).
subonderdeel 1.2hetzij miskend dat de uitleg van het begrip ‘onderdekking’ in de zin van de Rekenregels (slot) niet kan worden gevonden in de notulen van PNO, hetzij een onbegrijpelijke uitleg gegeven van die notulen nu daarin omtrent ‘onderdekking’ in de zin van de Rekenregels niets valt te lezen aangezien het bestuur in zijn vergadering uitsluitend aandacht heeft besteed aan het (per 1 januari 2007 geldende) minimum vereist eigen vermogen in de zin van art. 131 Pw Pro (en eventuele maatregelen, indien de dekkingsgraad van PNO daaronder zou komen).
streefdekkingsgraad maar de
feitelijkedekkingsgraad van het fonds op het moment van uittreden van KPN (ruim 118%) stelt tegenover de
wettelijk minimaal vereistedekkingsgraad van 105%. De hoogte van de feitelijke dekkingsgraad op het moment van uittreden van KPN wordt in cassatie niet bestreden. Voor zover het subonderdeel het rechtsoordeel van het hof omtrent de inhoud van de term onderdekking ook bestrijdt met motiveringsklachten mist het belang; wanneer een rechtsoordeel inhoudelijk juist is, kan de Hoge Raad het handhaven onder verbetering van gronden. [55]
subonderdelen 1.4 en 1.5bouwt voort op de voorgaande, falende klachten en delen hun lot.
Subonderdeel 1.6bevat geen klacht.
subonderdelen 2.1, 2.1.1 en 2.1.2tot uitgangspunt (a) dat de herstelpremie werd aangewend voor de inkoop van aanspraken voor inactieven als bedoeld in art. 1 onder Pro c van de Rekenregels, omdat (b) door toekenning van indexatie inkoop plaatsvindt van een extra, verhoogd pensioen, waarbij het onderdeel (c) verwijst naar het verband tussen de streefdekkingsgraad van PNO en indexatie.
subonderdelen 2.1.2.1 t/m 2.1.2.4aanvoeren, kan naar mijn mening niet gezegd worden. Het hof is ingegaan op de stellingen van PNO, maar heeft in het licht daarvan de herstelpremie, waar deze zag op het weer kunnen gaan indexeren, betrokken op het indexeringsrisico (rov. 3.12) en niet op de inkoop van aanspraken voor niet-actieven (rov. 3.8). Daarbij wees het hof in rov. 3.8 onder meer naar de berekening van de actuaris van PNO, welke voor de vaststelling van de solidariteitsbijdragen aansluiting had gezocht bij het Vrijstellingsbesluit − de Rekenregels dus – en voor de te missen herstelpremie bij de bij het door het bestuur van PNO vastgestelde premie- en indexatiebeleid (rov. 3.1.7). Subonderdeel 2.1.2.4 doet nog een beroep op de brief van de actuaris van 21 juni 2007, zonder echter aan te geven (onder vermelding van een afdoende vindplaats in het dossier) [59] dat deze stelling in feitelijk instanties is aangevoerd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat sprake is van een in cassatie ontoelaatbaar novum.
4.Onderdelen 3-5
subonderdeel 3.4) of dat het hof heeft geoordeeld dat KPN tijdig heeft geprotesteerd in de zin van art. 6:89 BW Pro (
subonderdeel 3.5) missen feitelijke grondslag, zodat beide subonderdelen falen.
subonderdeel 3.1heeft KPN haar vordering wel gebaseerd op een gebrekkige prestatie van PNO. Aangezien de schadeloosstelling voor verzekeringstechnisch nadeel een voorwaarde is voor 'uittreding', aan welke schadeloosstelling een vaststelling door de actuaris van het fonds dient vooraf te gaan, heeft deze vaststelling (rechtens) te gelden als een prestatie in de zin van art. 6:89 BW Pro, althans is onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat deze vaststelling geen prestatie in de zin van art. 6:89 BW Pro zou zijn.
gebrekkigis nagekomen. PNO is die verbintenis, waarvan het bestaan in de procedure moest worden vastgesteld, in het geheel nog niet nagekomen. [62] In deze zin moet de slotzin van rov. 3.16 m.i. worden begrepen. De vraag of art. 6:89 BW Pro ook ziet op een gebrekkige nakoming van een verbintenis uit onverschuldigde betaling, [63] doet zich in deze zaak niet voor.
onderdeel 5.