ECLI:NL:PHR:2015:1159

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2015
Publicatiedatum
20 juli 2015
Zaaknummer
14/02815
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225.1 SrArt. 328ter.1 SrArt. 80a RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep valsheid in geschrift en niet-ambtelijke omkoping verworpen wegens onvoldoende belang en motivering draagkrachtboete

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch waarin verdachte is veroordeeld voor meermalen gepleegde valsheid in geschrift en passieve niet-ambtelijke omkoping. Het cassatieberoep richt zich onder meer op de vraag of het hof de vervolgingsprocedure voor het fiscaal delict correct heeft toegepast en of het hof bij het opleggen van de geldboete voldoende rekening heeft gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.

De Hoge Raad oordeelt dat het middel dat betrekking heeft op de vervolgingsprocedure voor het fiscaal delict geen belang heeft omdat verdachte voor dat delict is vrijgesproken en het middel geen betrekking heeft op de andere ten laste gelegde feiten. Daarnaast is het standpunt dat het hof onvoldoende rekening heeft gehouden met de draagkracht van verdachte ongegrond, aangezien het hof expliciet heeft overwogen dat het de financiële situatie van verdachte heeft betrokken bij de strafoplegging. De informatie over de draagkracht die ter zitting is verstrekt was summier, maar dat ontslaat het hof niet van zijn motiveringsplicht.

Het cassatieberoep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad bevestigt hiermee het arrest van het hof en de opgelegde geldboete blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

Nr. 14/02815
Zitting: 31 maart 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
Het cassatieberoep richt zich tegen een arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 18 februari 2014 waarbij de verdachte wegens – kort gezegd – valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) en niet-ambtelijke corruptie (meermalen gepleegd) is veroordeeld.
Tegen deze uitspraak is door verdachte cassatieberoep ingesteld.
Mr. T. Lucas, advocaat te Amsterdam heeft tijdig twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerste middelbevat de klacht dat het hof niet althans “niet met redenen omkleed” het verweer heeft verworpen “dat het OM op straffe van niet-ontvankelijkheid gehouden was te motiveren waarom de procedure voor het nemen van de vervolgingsbeslissing voor het fiscaal delict niet is gevolgd zoals neergelegd in de ATV-richtlijnen.”
Bij de bespreking van dit middel heeft de verdachte geen in rechte te respecteren belang omdat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde “fiscaal delict” is vrijgesproken en het middel klaarblijkelijk geen betrekking heeft op de vervolgingsbeslissing ter zake van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat in de toelichting op het middel slechts een klein deel van de overwegingen van het hof wordt weergegeven en dat een reactie van het hof op het verweer is opgenomen in et resterende deel daarvan. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
In het
tweede middelwordt geklaagd dat het hof bij het opleggen van de geldboete geen rekening heeft gehouden met de draagkracht van de verdachte dan wel de strafoplegging niet naar de eisen van de wet met redenen heeft omkleed.
Het middel berust op een selectieve lezing van het arrest waarin het hof niet alleen heeft overwogen dat het hof bij de vaststelling van de geldboete “rekening [heeft] gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte” maar ook overweegt dat hij in het bijzonder heeft gelet op “de hoogte van de geldbedragen, te weten in totaal € 760.628,-, die verdachte in verband met die ‘niet-ambtelijke omkoping’ heeft ontvangen”.
Voor zover in het middel wordt gesteld dat de draagkracht van verdachte ter zitting van het hof niet aan de orde is geweest, mist het feitelijke grondslag. Dit is wel aan de orde geweest, maar van de zijde van de verdachte en zijn raadsman is het hof hieromtrent maar zeer summiere informatie verstrekt. Ter terechtzitting van het hof is over de draagkracht van de verdachte niet meer aangevoerd dan door verdachte zelf naar aanleiding van vragen van het hof over zijn persoonlijke omstandigheden en draagkracht zoals vermeld in het proces-verbaal van de zitting van 4 februari 2014, p. 12 :
"Als je op mijn naam zoekt in de zoekmachine van Google dan kom je verschillende stukken tegen over deze zaak. Ik kom daardoor nu moeilijk aan de bak. Ik heb op dit moment geen werk. Ik ben nu bezig met een transactie van onroerend goed. Ik ontvang alleen mijn pensioen en AOW-uitkering, waarop beslag ligt. Dat beslag houdt verband met een dreigende claim van de fiscus en een claim van de accountant ten bedrage van € 150.000,=."
en in de pleitnota die is overgelegd op dezelfde zitting op p. 19:
"De strafzaak heeft zijn leven beheerst. Werk kon hij niet meer vinden en hij had maar beperkte inkomsten. Datgene wat hij had moest hij aan rechtshulp In de straf- en fiscale zaak besteden"
Bovendien blijkt uit deze informatie niet dat verdachte niet over vermogen beschikte, er wordt slechts gerept over inkomen.
9. Hetgeen thans in cassatie als toelichting op het middel over de draagkracht wordt aangevoerd is ten overstaan van het hof niet naar voren gebracht en daarop kan in cassatie geen acht op worden geslagen.
10. Gelet op het voorgaande was het hof niet gehouden het opleggen van de geldboete uitvoeriger te motiveren, dan dat het hof gedaan heeft.
11. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO omdat verdachte hierbij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft en/of de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG