Conclusie
Gebruik
Bijzondere voorwaarden
2.Inleiding op de cassatiemiddelen
3.Bespreking van het middel in het principale beroep
onderdeel 1heeft het hof in rov. 4.18 miskend dat de mededeling van de gemeente in haar brief van 11 juni 2009 niet inhield dat zij zou tekortschieten in de nakoming van de ‘primaire verbintenis’, dat wil zeggen de verbintenis uit hoofde van de overeenkomst, maar inhield dat zij zou tekortschieten in de nakoming van de ongedaanmakingsverplichting, en dat er in dat laatste geval geen sprake is van een mededeling die het in art. 6:265 lid 2 BW Pro bedoelde verzuim laat intreden. Anders zou het hof volgens het onderdeel een onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven en de feitelijke grondslag in strijd met art. 24 Rv Pro hebben aangevuld, aldus het onderdeel.
overeenkomsten niet van een
ongedaanmakingsverplichtingis goed te volgen, vooral gelet op de tweede volzin van deze alinea, en geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat de gemeente een andersluidende uitleg voorstaat, waarbij de eerste volzin kennelijk op zichzelf moet worden geïnterpreteerd, maakt het voorgaande niet anders.
mochtafleiden dat de gemeente zou tekortschieten, terwijl de betreffende wetsbepaling aldus luidt dat uit de mededeling
moetworden afgeleid dat de schuldenaar zal tekortschieten. Anders zou het hof een onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven omdat uit geen enkele door de gemeente gedane mededeling door [verweerster] moest worden afgeleid dat de gemeente in de nakoming zou tekortschieten.