De verdachte heeft bij de politie, ter zitting in eerste aanleg en ook bij het hof verklaard dat aangever, nadat hij had gereageerd op een opmerking van aangever, met zijn hoofd naar voren kwam en hem een kopstoot gaf. Direct reageerde verdachte door aangever een kopstoot tegen diens hoofd te geven. De aangever heeft daarentegen verklaard dat hij terwijl hij iets tegen verdachte zei, zijn hoofd op een afstand van ongeveer 15 cm van het gezicht van verdachte hield. Hij heeft niet verklaard dat hij verdachte vervolgens een kopstoot heeft gegeven.
De getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij zag dat een persoon (aangever) met zijn hoofd richting de ander (verdachte) ging en dat dit leek op een soort schijnbeweging. Vervolgens zag deze getuige dat de ander (verdachte) daarop reageerde door een kopstoot te geven. Deze getuige is nadien ter zitting in eerste aanleg gehoord en heeft aldaar bevestigd dat verdachte aan aangever een kopstoot heeft gegeven. Een kopstoot van aangever aan verdachte heeft de getuige niet waargenomen.
Een andere getuige [betrokkene 2] heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat zij zag dat een jongen naar voren bewoog en verdachte naar achteren. Daarna bewoog verdachte naar voren en die jongen naar achteren. Zij heeft niet gezien dat zij elkaar geraakt hebben.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat alleen verdachte een kopstoot heeft uitgedeeld aan aangever. Het hof sluit niet uit dat het letsel dat verdachte heeft opgelopen kan zijn ontstaan door het geven van die kopstoot door verdachte aan aangever.
De raadsvrouw heeft betoogd dat het voor verdachte niet mogelijk is geweest zich aan de situatie te onttrekken door zich van het incident te verwijderen en dat het door verdachte gekozen middel noodzakelijk was voor zijn verdediging.
Verdachte heeft niet bij zijn verhoor bij de politie, maar pas ter zitting in eerste aanleg en bij het hof verklaard dat hij zich tijdens het incident niet kon verwijderen doordat hij werd omringd door personen.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de verklaring van verdachte bij de politie en op hetgeen de getuigen hebben verklaard, er van moet worden uitgegaan dat verdachte zich, nadat aangever met zijn hoofd dichtbij het hoofd van verdachte kwam, voor zover dit al als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding zou moeten worden gezien, zich van het incident had kunnen verwijderen.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het door verdachte aangewende middel geboden was voor zijn noodzakelijke verdediging. Het noodweer(exces) wordt eveneens op grond van het vorenstaande verworpen. Ook het putatief noodweerverweer wordt verworpen. Niet aannemelijk is geworden dat gelet op de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden verdachte ervan uit mocht gaan dat aangever tijdens de ruzie/woordenwisseling een kopstoot zou gaan geven.”