De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij gebruik werd gemaakt van valse sleutels. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en een taakstraf van 80 uur op. Namens de verdachte werd cassatieberoep ingesteld met twee middelen.
Het eerste middel betrof een vormverzuim door het zoekraken van camerabeelden, waarop het hof volgens de verdediging niet had gereageerd. De Hoge Raad oordeelde dat het verweer niet uitdrukkelijk en voldoende gemotiveerd in hoger beroep was ingebracht, zodat het hof niet gehouden was hierop te beslissen. Het middel faalde.
Het tweede middel richtte zich op de bewijsvoering omtrent medeplegen. De Hoge Raad constateerde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom sprake was van medeplegen, aangezien de medeverdachte pas na het feit in beeld kwam en geen duidelijke aanwijzingen voor nauwe samenwerking bestonden. Desondanks oordeelde de Hoge Raad dat dit motiveringsgebrek niet tot vernietiging en terugwijzing leidt, omdat de verdachte zonder het aspect medeplegen het delict had begaan en de straf niet anders zou zijn geweest.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee het arrest van het hof.