Conclusie
zesde middel.
eerste middelbetreft een bewijsklacht die betrekking heeft op feit 4 (ZD 3), maar tevergeefs is voorgesteld. Geklaagd wordt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verzoeker “medepleger” is.
tweede middelbetreft bewijsklachten met betrekking tot de feiten 5 subsidiair en 6 (ZD 4), en faalt eveneens. Het middel klaagt dat verzoekers betrokkenheid slechts is gebaseerd op de verklaring van één getuige.
derde middelbetreft bewijsklachten met betrekking tot de feiten 7 en 8 (ZD 5), dat wil zeggen de heling van een bankpasje van [betrokkene 8] en het tweemaal daarmee pinnen op 4 augustus 2007. Uit de bewijsvoering van dit feit volgt dat eerst door meergenoemde [betrokkene 5] is gepind, en wel om 20.55 uur. Hij had de gestolen pinpas gekregen uit handen van een jonge vrouw die toen in gezelschap van verzoeker was. Verzoeker heeft van het pinnen de opbrengst gekregen. Kort daarna (om 21.45 uur) is met hetzelfde bankpasje door [betrokkene 9] gepind bij Holland Casino. [betrokkene 9] erkent dat ze wist dat ze met een gestolen pas pinde. Omdat [betrokkene 5] Holland Casino niet in mocht heeft verzoeker een jongen gebeld en gevraagd of diens vriendin in Holland Casino voor verzoeker wilde gaan pinnen. Gelet hierop is dat dan kennelijk deze [betrokkene 9] geweest.
vierde middelricht zich tegen de bewezenverklaring van feit 10 (ZD 6), inhoudend het pinnen met de bankpas van [betrokkene 10] op 21 mei omstreeks 22.34 uur en op 22 mei 2007 omstreeks 01.56 uur en 02.30 uur. Bewezenverklaard is dat verzoeker dit feit alleen en dus niet als medepleger heeft begaan. Verzoeker wordt herkend als pinner op 21 mei 2007 te 22.34 uur. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof aangenomen dat verzoeker dan ook de pinner is die kort daarna (op 22 mei 2007 om 01.56 uur en om 02.30 uur) geld heeft opgenomen, nu door de verdediging niet is aangevoerd dat (en waarom) verzoeker na 22.34 uur de pas zou hebben doorgegeven aan een ander of aan anderen.
vijfde middelricht zijn pijlen op feit 11 (ZD 7), de genoemde vals geld zaak. Tenlastelegging en bewezenverklaring zijn gestoeld op art. 213 Sr Pro en art. 209 Sr Pro, beide in verbinding met art. 47 Sr Pro. Niet wordt betwist dat de in de bewijsvoering van dit feit genoemde “[D]” verzoeker is en dat uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat verzoeker wist dat het geld vals was. Wel wordt geklaagd dat het ruilen - verzoeker en de zijnen gaven valse 500 euro biljetten aan [betrokkene 2] , die van de valsheid niet op de hoogte was, ter wisseling van echte, kleinere geldcoupures met een winstmarge voor [betrokkene 2] - nog niet het uitgeven (“in het verkeer brengen”) oplevert en dat geen sprake is van in voorraad hebben of vervoeren met het oogmerk om de valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven nu de bankbiljetten overduidelijk vals waren.
zevende middelbetreft een bewijsklacht gericht tegen feit 14 (ZD 8): het pinnen met een gestolen pas van mevrouw [betrokkene 11] op 2, 3 en 4 augustus 2008. De voor dit feit gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer de verklaring van pinner [betrokkene 12] in. Hij zegt in opdracht van verzoeker te hebben gepind op 3 augustus 2008 in Amsterdam en op 4 augustus 2008 in Holland Casino in Utrecht en dat tussendoor ene [A] telkens ging pinnen. [betrokkene 12] verklaart weliswaar niets over het pinnen op 2 augustus 2008, maar uit de overige bewijsmiddelen blijkt wel dat de vrouw die de pinpas op 2 augustus ontfutseld heeft zwanger was en dat de vriendin ( [betrokkene 13] ) van verzoeker - bij dit feit [A] genoemd - ook zwanger was. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof tot uitdrukking willen brengen dat de vriendin binnen is geweest bij mevrouw [betrokkene 11] en erna als medepleger van verzoeker heeft gepind op 2 augustus 2008, zodat de eerdere pintransacties ook aan verzoeker, als medepleger, zijn toe te rekenen.
achtste middelkeert zich met bewijsklachten tegen de bewezenverklaringen van de feiten 15 en 16 (ZD 2), de heling van en het pinnen met de gestolen bankpas van [betrokkene 14] tussen 12 en 14 december 2006. Uit de voor deze feiten opgenomen bewijsmiddelen volgt dat geld is gepind door eerdergenoemde [betrokkene 4] , ook betrokken bij feit 4 (zie middel 1) bij Holland Casino in Enschede. Zij ontving de pas van meergenoemde [betrokkene 5] die gestolen pinpassen van verzoeker en een zekere [B] had gekregen. Er bestaat een link met het ontvreemden van het tasje met daarin de bankpas eind december 2006 en de plaats [plaats] , de woonplaats van mevrouw [betrokkene 14] . Verzoeker heeft het geld gekregen, of dat rechtstreeks naar verzoeker is gegaan of via [betrokkene 5] is niet helemaal duidelijk, maar het geld heeft kennelijk verzoeker bereikt. Gelet op de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, en gelet op de overeenkomst met de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragspatronen bij de andere feiten, kan worden afgeleid dat [betrokkene 5] spreekt over de bankpas uit [plaats] en dat alle betrokkenen wisten dat de bankpas van diefstal afkomstig was.
negende middel, het
tiende middelen het
elfde middellenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het negende middel bevat bewijsklachten tegen hetgeen onder 17 en 18 (ZD 22) is bewezenverklaard, kort gezegd de heling van en het pinnen met een gestolen bankpasje van mevrouw [betrokkene 15] tussen 23 en 29 mei 2008. Uit de voor deze feiten gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de pinner [betrokkene 16] is geweest. Het tiende middel ziet met bewijsklachten op de bewezenverklaringen van de feiten 19 en 20 (ZD 23) betreffende de heling van de gestolen pinpas van mevrouw [betrokkene 17] en het pinnen daarmee onder meer om 02.51 uur bij het Holland Casino in Nijmegen. Daarvan zijn geen beelden meer voorhanden, maar wel blijkt uit de bezoekersgegevens dat (ik begrijp daar, AG) op 29 mei om 02.44 uur een dagkaart aan [betrokkene 16] was verstrekt. Het elfde middel kent bewijsklachten tegen de bewezenverklaringen van de feiten 21 en 22 (zaakdossier 25), waarbij het gaat om de heling van en het pinnen met de gestolen bankpas van mevrouw [betrokkene 18] tussen 19 en 21 juli 2008. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de pinner hier opnieuw [betrokkene 16] is. De middelen klagen naar de kern genomen dat de bewijsvoering met betrekking tot de genoemde feiten telkens niet voldoet aan het wettelijk bewijsminimum, aangezien deze telkens op slechts één bewijsmiddel berust. Voorts klagen de middelen 9 en 10 dat bepaalde geldbedragen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen zouden blijken.
twaalfde middelklaagt over ’s Hofs toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] met betrekking tot feit 11 (ZD 7), nu de rechtbank [betrokkene 2] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn vordering en het Hof het vonnis (ook op dat onderdeel) heeft bevestigd.
Beslissing” - heeft het Hof onmiskenbaar bovendien nieuwe beslissingen genomen ten aanzien van het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
dertiende middel. Het klaagt over het oordeel van het Hof met betrekking tot de redelijke termijn in de hoger beroepsfase.
17 september 2009. Vervolgens hebben er vier pro forma zittingen plaatsgevonden, te weten op 10 maart 2010, 2 juni 2010, 25 augustus 2010 en 10 november 2010. Dit had te maken met het feit dat het vonnis van de rechtbank (nog) niet was uitgewerkt en het plannen van een regiezitting. Deze regiezitting heeft op 12 januari 2011 plaatsgevonden en heeft geresulteerd in het tussenarrest van
26 januari 2011. Bij dit tussenarrest werden de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris ten einde vier getuigen te horen. Vervolgens is de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden en pas voortgezet op de terechtzittingen van
19, 22 en 26 november 2013. Die behandeling mondde uit in het tussenarrest van 10 december 2013 waarbij de raadsheer-commissaris werd opgedragen nog drie getuigen te horen. Uiteindelijk is de zaak op
14 oktober 2014inhoudelijk behandeld.