Conclusie
Onderdeel 1.3haakt klaarblijkelijk aan bij de eiswijzing in appel. De vindplaatsen in prima, waarop het in dat kader beroep doet, zijn daarom zonder belang. Hetgeen in de mvg onder 12, 13 en 18 wordt aangevoerd, is niet concreet. Hetgeen onder 25 en 26 wordt aangevoerd, is concreter ([verweerder] heeft het ten dele trouwens erkend met de kanttekening dat de zaak later is afgehandeld; mva onder 27). Uit de op de genoemde vindplaatsen vermelde stellingen valt evenwel niet af te leiden dat [eiser] door het daar gestelde handelen schade heeft geleden, laat staan dat een dergelijke stelling ook maar enigszins is onderbouwd. De stellingen over schade waarnaar wordt verwezen, doen slechts ter zake voor zover het gaat om de mvg. Hetgeen in prima is gesteld, kan redelijkerwijs niet dienen als onderbouwing van de eiswijziging in appel. De mvg onder 4 is te weinig concreet. Hetgeen onder 27 en 29 staat, heeft betrekking op door het Hof niet aanvaarde grondslagen van de vordering (zie rov. 3.3 en 3.7). ’s Hofs oordeel daaromtrent wordt in cassatie niet bestreden. Daarom doen ook de bij pleidooi betrokken stellingen, die bovendien tardief zijn, thans niet ter zake.
Onderdeel 2mislukt op de hierboven onder 2 genoemde grond. Het is bovendien onbegrijpelijk.