ECLI:NL:PHR:2015:158

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2015
Publicatiedatum
6 maart 2015
Zaaknummer
15/00210
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep in geschil over declaraties advocaat wegens onvoldoende stelplicht

Deze zaak betreft een geschil tussen eiser en verweerder over de declaraties van een advocaat die rechtsbijstand verleende aan de cedent van eiser. Het hof oordeelde dat onvoldoende was gesteld waarin verweerder tekort zou zijn geschoten en wees erop dat er overeenstemming was bereikt over de verschuldigdheid van de declaraties. Tevens had verweerder het griffierecht terugbetaald.

Eiser faalde in zijn stelplicht om concreet te maken welke schade hij had geleden door het handelen van verweerder. De klachten in cassatie richtten zich voornamelijk op bijkomstigheden en lieten het kernpunt van het hof oordeel ongemoeid. Daarnaast waren sommige klachten onbegrijpelijk en probeerden zij feitelijke herbeoordeling, wat niet is toegestaan in cassatie.

Het hof was weliswaar summier, maar had de stellingen van eiser voldoende behandeld en geoordeeld dat deze onvoldoende waren onderbouwd. Tegen dit oordeel waren geen begrijpelijke klachten gericht. Daarom strekt de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende stelplicht en gebrek aan concrete schadeonderbouwing.

Conclusie

15/00210
mr. J. Spier
Zitting 27 februari 2015 (bij vervroeging) (art. 80a RO)
Conclusie inzake
[eiser]
tegen
[verweerder]
1. Dit geschil heeft betrekking op de rechtsbijstand die [verweerder] heeft verleend aan de cedent van [eiser]. ’s Hofs oordeel komt er op neer dat onvoldoende is gesteld in welk opzicht [verweerder] tekort zou zijn geschoten. Het Hof heeft er – in cassatie niet bestreden – op gewezen dat [eiser]’s cedent met [verweerder] overeenstemming heeft bereikt over de verschuldigdheid van de declaraties en dat [verweerder] het griffierecht heeft terugbetaald (rov. 3.5).
2. In het licht van ‘s Hofs onder 1 weergegeven oordeel is begrijpelijk dat [eiser] tekort is geschoten in zijn stelplicht. Het middel gaat goeddeels aan ’s Hofs oordeel voorbij en schiet klachten af die zijn gericht tegen bijkomstigheden; zij laten de kern van ‘s Hofs oordeel ongemoeid. Alle klachten zijn daarmee tot mislukken gedoemd.
3.1
Onderdeel 1.3haakt klaarblijkelijk aan bij de eiswijzing in appel. De vindplaatsen in prima, waarop het in dat kader beroep doet, zijn daarom zonder belang. Hetgeen in de mvg onder 12, 13 en 18 wordt aangevoerd, is niet concreet. Hetgeen onder 25 en 26 wordt aangevoerd, is concreter ([verweerder] heeft het ten dele trouwens erkend met de kanttekening dat de zaak later is afgehandeld; mva onder 27). Uit de op de genoemde vindplaatsen vermelde stellingen valt evenwel niet af te leiden dat [eiser] door het daar gestelde handelen schade heeft geleden, laat staan dat een dergelijke stelling ook maar enigszins is onderbouwd. De stellingen over schade waarnaar wordt verwezen, doen slechts ter zake voor zover het gaat om de mvg. Hetgeen in prima is gesteld, kan redelijkerwijs niet dienen als onderbouwing van de eiswijziging in appel. De mvg onder 4 is te weinig concreet. Hetgeen onder 27 en 29 staat, heeft betrekking op door het Hof niet aanvaarde grondslagen van de vordering (zie rov. 3.3 en 3.7). ’s Hofs oordeel daaromtrent wordt in cassatie niet bestreden. Daarom doen ook de bij pleidooi betrokken stellingen, die bovendien tardief zijn, thans niet ter zake.
3.2 Ten overvloede: het Hof, zij het nogal summier, wél op de stellingen ingegaan: het Hof geeft in rov. 3.5 eerst de kern ervan weer en zegt daarover dat die stellingen onvoldoende zijn, wat ook wordt uitgelegd. Tegen dat laatste oordeel is geen begrijpelijke klacht gericht.
4.
Onderdeel 2mislukt op de hierboven onder 2 genoemde grond. Het is bovendien onbegrijpelijk.
5. Voor zover de klachten een feitelijke herbeoordeling door de Hoge Raad voorstaan, falen ze omdat cassatie daarvoor niet is bestemd.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal