Conclusie
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 5 april 2013 het klaagschrift van klaagster ex art. 552a Sv ongegrond verklaard, waarmee het conservatoir beslag op sieraden, geldbedragen en een televisie onder betrokkene 1 werd gehandhaafd. Klaagster, die zich als derde belanghebbende opwerpt, stelde dat zij eigenaar was van de inbeslaggenomen zaken. Tijdens de raadkamerbehandeling werden door de raadsman van klaagster en betrokkene 1 verklaringen afgelegd over de eigendom van de goederen.
De rechtbank oordeelde dat niet buiten redelijke twijfel was vastgesteld dat klaagster eigenaar was van de goederen en geldbedragen, en dat het strafvorderlijk onderzoek niet tegen haar was gericht. Daarom werd het klaagschrift ongegrond verklaard. Klaagster stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte niet had vastgesteld dat zij eigenaar was en dat het belang van de strafvordering niet tegen teruggave sprak.
De Hoge Raad concludeert dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft toegepast, namelijk dat alleen bij buiten redelijke twijfel vastgestelde eigendom teruggave mogelijk is. Het middel faalt en het cassatieberoep wordt op grond van art. 80a RO niet-ontvankelijk verklaard. De conclusie geldt ook voor zes samenhangende zaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat niet buiten redelijke twijfel is vastgesteld dat klaagster eigenaar is van de inbeslaggenomen goederen.