Conclusie
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
De Rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beklag van klager gegrond en gelastte de teruggave van een inbeslaggenomen geldbedrag van €5.350,-, horloges en een ketting. Het beslag was gelegd in het kader van een witwaszaak waarbij klager verdachte was. De rechtbank oordeelde dat het voortzetten van het beslag op het geldbedrag niet noodzakelijk was voor voordeelsontneming, omdat het recht van verhaal voldoende werd gewaarborgd door beslag op onroerend goed.
Het openbaar ministerie stelde cassatieberoep in tegen deze beschikking, specifiek gericht tegen het gegrond verklaren van het beklag over het geldbedrag. De Hoge Raad herhaalde dat bij een klaagschrift ex art. 552a Sv de rechter moet toetsen of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een betalingsverplichting zal opleggen en dat de rechtbank in dit geval een verdergaand onderzoek naar proportionaliteit en subsidiariteit heeft verricht.
De Hoge Raad constateerde dat de motivering van de rechtbank onvoldoende inzicht gaf in de verhouding tussen het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, de waarde van het beslag en de opbrengst van het onroerend goed. De rechtbank had niet duidelijk gemaakt waarom het beslag op het geldbedrag niet noodzakelijk zou zijn, noch had zij de waarde van het onroerend goed voldoende betrokken in haar oordeel. Hierdoor was de motivering ontoereikend.
De Hoge Raad vernietigde daarom de beschikking voor zover die betrekking had op het geldbedrag en verwees de zaak terug voor een nieuwe beslissing. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking over het beslag op het geldbedrag wegens onvoldoende motivering en verwijst de zaak terug.