Conclusie
Partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een strafrechtelijk geschil over de vervolging van verdachte voor het verkopen, afleveren, vervoeren en aanwezig hebben van grote hoeveelheden hasj in de periode van 1 oktober 2001 tot en met 28 februari 2002. Het Gerechtshof Amsterdam verklaarde het OM niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens verjaring van het vervolgingsrecht voor een deel van de tenlastelegging en sprak verdachte vrij van de rest.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de wetswijzigingen in 2006, die onder meer een strafverzwaring en verlenging van de verjaringstermijn introduceerden, directe werking hebben en of het OM daardoor alsnog ontvankelijk is. De Hoge Raad overweegt uitgebreid dat de wijziging van verjaringstermijnen direct van toepassing is, maar dat reeds voltooide verjaring niet wordt herleefd. Omdat de feiten verjaard waren onder het oude recht op het moment van de eerste vervolgingsdaad, verklaart de Hoge Raad het OM niet-ontvankelijk voor dat deel.
Daarnaast is de betrouwbaarheid van verklaringen van twee getuigen (de gebroeders) die belastende verklaringen aflegden, onderwerp van discussie. Het hof heeft een terughoudend toetsingskader toegepast vanwege het tijdsverloop, kennis van het dossier door de getuigen voorafgaand aan hun verklaringen en het motief van strafvermindering. Het hof oordeelde dat er onvoldoende objectief steunbewijs was voor de betrokkenheid van verdachte en sprak hem vrij. De Hoge Raad bevestigt dat de waardering van bewijs en betrouwbaarheid van getuigen aan de feitenrechter toekomt en dat het hof zijn oordeel begrijpelijk heeft gemotiveerd. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het OM is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring en verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.