Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het middel
onderdeel 2.1.2zou rov. 13 van het tussenarrest bovendien rechtens onjuist en onbegrijpelijk zijn omdat zij verwijst naar de inleidende dagvaarding sub 2.2, waarin [eiser] volgens het Hof “die grond” heeft genoemd. Het Hof doelt daarbij op de zinsnede in het kader van het (te weerleggen) standpunt van [eiser]:
en de kosten calculatie aan de orde komen. (…)”
onderdeel 2.2.4miskend dat een ongerechtvaardigde verrijking nooit méér kan bedragen dan wat [verweerster] er anders - indien de overeenkomst wel was gesloten - daarvoor had gekregen, te weten: € 16.000. Subsidiair geldt dat het Hof hier miskent dat een verrijking die gebaseerd is op een verbintenis, in casu: de door [eiser] gestelde toezegging van maximaal € 16.000, niet ongerechtvaardigd is, zodat de gestelde verrijking in elk geval tot dat gefixeerde bedrag niet ongerechtvaardigd kan zijn.
duidelijk en onomwondenhad aangekondigd de problematiek van de ongerechtvaardigde verrijking aan de orde te zullen stellen als het tot de slotsom zou komen dat ten deze geen overeenkomst tot stand was gekomen, is [eiser] niet meer op de door het onderdeel genoemde stellingen teruggekomen. Het Hof behoefde er dus ook geen aandacht aan te besteden.