Conclusie
De Lage Landen Trade Finance B.V.,
De Lage Landen Financial Services B.V.,
1.Prejudiciële vragen
1. Is het mogelijk voor een pandhouder om staande het faillissement van diens pandgever verhaal te nemen op de opbrengst van de uitwinning van de betreffende voorafgaande aan dat faillissement gevestigde pandrechten, voor een vordering die is ontstaan op of na de dag van faillietverklaring van de pandgever, en is daarvoor noodzakelijk dat die vordering (rechtstreeks) voortvloeit uit een op de dag van faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding tussen de pandhouder en schuldenaar dan wel een voordien door de schuldenaar verrichte handeling?
2.Feiten en procesverloop
toevoeging A-G] aanvaardt dat DLL [DLL FS,
toevoeging A-G] slechts bereid is deze Factoringovereenkomst aan te gaan indien een zogenaamde akte wederzijdse zekerhedenregeling zal worden ondertekend door DLL, haar zustervennootschappen en Rabobank De Zuidelijke Baronie, waarin DLL, haar zustervennootschappen en Rabobank De Zuidelijke Baronie zich over en weer borg stellen voor elkaar. Doel van deze wederzijdse zekerhedenregeling is dat bij uitwinning van zekerheden een eventuele overwaarde in de zekerheden van de een tot dat overwaardebedrag kan worden gebruikt als dekking van een tekort van de ander en vice versa.”
toevoeging A-G] ermee instemt dat de Financiers [DLL c.s. en de Rabobank,
toevoeging A-G] nu of in de toekomst jegens elkaar zekerheid stellen en zekerheid verkrijgen voor de huidige en toekomstige verplichtingen van Debiteur jegens iedere Financier”
toevoeging A-G] dat zij uit hoofde van een regres- of subrogatievordering daadwerkelijk kan verhalen.”
3.Uitgangspunt
toekomstige(en dus niet een reeds bestaande, doch voorwaardelijke) (regres-)vordering van de borg tevens pandhouder. Dat uitgangspunt berust op het oordeel van de rechtbank dat erop neerkomt dat de rechtspraak hierover op dit moment voldoende duidelijkheid geeft (“geen ruimte voor rechtsonzekerheid laat” [18] ). Dit stelt terzijde de zienswijze dat een vordering als hier aan de orde (onder omstandigheden) als een voorafgaand aan het faillissement
reeds bestaandevoorwaardelijke vordering zou kunnen worden beschouwd, namelijk onder de opschortende voorwaarde van betaling door de borg. De rechtbank is van oordeel dat HR 6 april 2012 inzake ASR/Achmea [19] duidelijk heeft gemaakt
–met onder meer een beroep op wetsteksten en parlementaire geschiedenis
–dat de regresvordering van een hoofdelijk schuldenaar (waaronder ook de borg) gekwalificeerd dient te worden als een toekomstige vordering:
anders dan wel is afgeleid uit een aantal eerdere uitspraken van de Hoge Raad(HR 3 juni 1994,
LJNZC1386,
NJ1995/340, HR 3 mei 2002,
LJNAD9618,
NJ2002/393, en HR 9 juli 2004,
LJNAO7575,
NJ2004/618),
tot uitgangspuntdienen dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat.”(cursivering toegevoegd, A-G)
uitgangspuntis. Dat laat onder omstandigheden, bij voorbeeld afhankelijk van de contractsinhoud van het overwaarde-arrangement, m.i. ruimte voor de visie dat de verhaalsvordering van de kredietverschaffer, tevens pandhouder een reeds bestaande voorwaardelijke vordering is.
NMB heeft, naar in cassatie tot uitgangspunt dient, een voorwaardelijke betalingsverplichting jegens ING op zich genomenten belope van — kort gezegd — het bedrag dat ING nog van ICT te vorderen heeft, met dien verstande dat deze verplichting is gemaximeerd tot het totaal van de door ICT aan NMB verschafte, maar voor voldoening van de eigen vorderingen van NMB op ICT niet-noodzakelijke, zekerheden (art. 1.1–1.4 van het overwaarde-arrangement).
In samenhang daarmee heeft ICT zich jegens NMB verbonden om, indien en voor zover NMB aan haar zojuist bedoelde voorwaardelijke betalingsverplichting jegens ING voldoet, deze bedragen aan NMB terug te betalen(art. 3.1 van het overwaarde-arrangement; hierna ook: de regresvordering).
contractuelebevoegdheden gebruikmaken ten behoeve van ING, met daaruit voortvloeiend regres op ICT. De curator verzet zich daartegen”.
4.Bespreking van de prejudiciële vragen
noch naar de inhoud, noch naar de strekking daarvan in strijd met enige regel of beginsel van goederenrecht of faillissementsrecht.
die ten tijde van de faillietverklaring van ICT voorwaardelijk reeds bestond(vgl. HR 3 mei 2002, nr. R00/110,
NJ2002, 393 en HR 3 juni 1994, nr. 8412,
NJ1995, 340). Aangezien ingevolge art. 3:231 lid 1 BW Pro een pandrecht
zelfs voor een toekomstige vorderingkan worden gevestigd, is dit
ook mogelijk voor een reeds onder opschortende voorwaarde bestaande vordering.
drie partijen bij het overwaarde-arrangementkennelijk een resultaat willen bereiken dat zij ook langs andere weg tot stand hadden kunnen brengen zonder dat het stelsel van de Faillissementswet zich daartegen zou verzetten (namelijk door een tweede stille verpanding door ICT van de desbetreffende vorderingen, die alle zijn ontstaan voor de faillietverklaring van ICT, aan ING). Kennelijk hebben zij echter om praktische redenen voor de onderhavige constructie gekozen, die erop neerkomt dat NMB zich mag verhalen op de aan haar verschafte zekerheden mede ten behoeve van ING. Het feit dat NMB krachtens de onderhavige
meerpartijenovereenkomstdeze zekerheden in zoverre in wezen ten behoeve van ING heeft bedongen (in de vorm van een uitwinning ten behoeve van een eigen (regres)vordering van NMB op ICT) en NMB bij de uitwinning daarvan optreedt op eigen naam ten behoeve van ING, is in het kader van een financieringsconstructie als de onderhavige, niet in strijd met enige goederenrechtelijke regel of beginsel.
haar rechtstreekse grondslag vindt in een handeling (namelijk het sluiten van het overwaarde-arrangement) welke vóór de faillietverklaring met de gefailleerde is verricht(vgl. HR 10 januari 1975,
NJ1976, 249). Ook art. 54 Fw Pro, eveneens overeenkomstig op de onderhavige constructie toegepast, belet niet dat NMB zich verhaalt op de door ICT aan haar verschafte zekerheden. Direct noch indirect is immers sprake van een overneming door NMB vóór of tijdens het faillissement van ICT van een vordering op of schuld aan ICT in de zin van deze bepaling, terwijl de onderliggende overeenkomst niet in het zicht van de faillietverklaring is aangegaan.
ten tijde van de faillietverklaring van ICT voorwaardelijk al bestond en zij mitsdien haar rechtstreekse grondslag vindt in een handeling welke vóór de faillietverklaring met de gefailleerde is verricht, kan evenmin worden gezegd dat de aan de Faillissementswet ten grondslag liggende beginselen, meer in het bijzonder het zogeheten fixatiebeginsel, door de constructie van het overwaarde-arrangement geweld wordt aangedaan.” [alle cursiveringen toegevoegd, A-G]
toekomstigeregresvordering.
haar rechtstreekse grondslag vindt in een handeling welke vóór de faillietverklaring met de gefailleerde is verrichten (ook) daarom geen sprake kan zijn van strijd met art. 53 Fw Pro. of van strijd met de aan de Faillissementswet ten grondslag liggende beginselen. Dat is een criterium dat over het algemeen wordt gebruikt voor
nietreeds bestaande (toekomstige) vorderingen om daarmee die groep van deze toekomstige vorderingen te onderscheiden waaraan nog wel (enige) werking na faillietverklaring wordt toegekend. Bij
bestaandevorderingen is deze werking vanzelfsprekend en is dit criterium, en het maken van een dergelijk onderscheid, in wezen niet (meer) noodzakelijk. Dat is ook het geval bij het door de Hoge Raad aangehaalde voor
verrekeninggeschreven art. 53 Fw Pro. en de twee verschillende daarin genoemde criteria, waarvan de Hoge Raad het tweede criterium (het zojuist schuingedrukt aangehaalde criterium) in dit arrest op overeenkomstige wijze gebruikt voor de bepaling of
verhaal [22] op grond van het arrangement in strijd komt met de aan de Faillissementswet ten grondslag liggende beginselen. De Hoge Raad benadrukt dit criterium door het tweemaal te noemen, en doet dit slechts de tweede maal in verbinding met de kwalificatie van de regresvordering als ‘voorwaardelijk al bestaande’ vordering. Doorslaggevend – althans voldoende – lijkt mede daardoor ook in dit laatste geval het deel waarin – opnieuw – het zojuist schuingedrukt aangehaalde criterium van de rechtstreekse grondslag wordt genoemd (volgend op ‘mitsdien’ [23] ).
vorderingen op [betrokkene] die zij pas na de aanvang van de surséance heeft verkregen, noch op het onderpand kunnen worden verhaald, noch in aanmerking komen om op de voet van art. 234-235, of na de faillietverklaring op die van art. 53-54, te worden verrekendmet de bedragen die aan de boedel verschuldigd zijn geworden ter zake van de gelden die uit die zekerheden door inning zijn verworven en door NCM aan de curator dienen te worden afgedragen.(…)” (cursivering toegevoegd, AG)
naaanvang van surséance (en faillissement) van een ander
overgenomen(en vóór de overname dus wel reeds in het vermogen van een ander bestaande, maar niet door de betreffende zekerheid gedekte) vorderingen, die op de opbrengst van de bedongen zekerheid werden verhaald c.q. daarmee werden verrekend. [26] Een dergelijke verrekening is rechtstreeks en in alle gevallen in strijd met art. 235 lid Pro 2 (en 54 lid 2) Fw. In het verlengde daarvan ligt het voor de hand te oordelen dat het – voorgaand aan een dergelijke verrekening te beoordelen –
verhaalop dezelfde gelden voor dezelfde na aanvang van surséance (en faillissement) overgenomen vorderingen evenmin kan worden toegestaan, en in die zin in strijd komt met het systeem van de Faillissementswet. Het arrest ziet naar mijn mening niet op het verhaal voor ten tijde van faillietverklaring nog toekomstige vorderingen die voortvloeien uit een voorafgaand aan faillissement bestaande rechtsverhouding
in het algemeen.
nietuitsluitend betrekking heeft op verhaal en verrekening voor vorderingen die eerst na faillietverklaring zijn overgenomen, is het – in ieder geval wat betreft het daar aan de orde zijnde overwaardearrangement met bijbehorende regresvordering – achterhaald door het tien jaar later gewezen arrest inzake Bannenberg q.q./NMB-Heller. [27] In dit laatste arrest werd met zoveel woorden het verhaal op grond van het overwaardearrangement niet in strijd met de verrekeningsartikelen 53 en 54 Fw. en – met eveneens een overeenkomstige toepassing van de criteria bij verrekening – ook niet in strijd met de aan de Faillissementswet ten grondslag liggende beginselen geacht, een arrest dat mijns inziens ook geldt ingeval van een toekomstige regresvordering.
NJ1995, 627, r.o. 3.4). Nu de vordering van Fortis tot vergoeding van gederfde winst eerst nadien is ontstaan (en kon ontstaan), valt deze vordering niet onder de dekking van de verstrekte zekerheden.”
alletoekomstige, uit een reeds bestaande rechtsverhouding voortvloeiende vorderingen fundamenteel anders te behandelen, al was het maar omdat het onderscheid tussen deze beide vorderingen niet altijd gemakkelijk is te maken (zoals ook is gebleken uit de jurisprudentie daarover). [33] Dat is in ieder geval anders waar het betreft toekomstige vorderingen die hun oorsprong niet in een dergelijke rechtsverhouding, maar pas (geheel)
tijdens(of na) het faillissement hebben. [34]
NJ1929/1372 m.nt. EMM. [38] Het betreft gevallen waarin het gaat om verhaal (door de hoofdelijk schuldenaar of borg) uit hoofde van een niet ook aan de schuldeiser zelf toekomend zekerheidsrecht. [39] Art. 136 Fw Pro. mag er dan niet toe leiden dat een recht van voorrang dat aan een vordering is verbonden, weerloos wordt gemaakt. In die gevallen worden de concurrente schuldeisers niet benadeeld indien de schuldeiser en de ene hoofdelijk schuldenaar (bij borgstelling: de schuldeiser en de borg) in het faillissement van de andere hoofdelijk schuldenaar (bij borgstelling: de hoofdschuldenaar) tezamen niet meer verhaalsrecht krijgen dan één schuldeiser met zakelijke zekerheid zou hebben, [40] ook al wordt voor éénzelfde vordering tweemaal in het faillissement opgekomen, en behoort toelating derhalve mogelijk te zijn. [41]
zal verkrijgen.” Hij kan voor deze vorderingen “zo nodig voorwaardelijk” worden toegelaten. De wetsgeschiedenis verduidelijkt nog eens dat het artikellid betrekking heeft op de vorderingen die de hoofdelijke schuldenaar
ten tijde van de verificatie– en
wellichtvóór de faillietverklaring – op zijn gefailleerde medeschuldenaar had verkregen als op de vorderingen die hij
dan uit hoofde van hun onderlinge rechtsverhouding nog op hem zal kunnen verkrijgen. De toelating zal volgens de wetsgeschiedenis meestal slechts voorwaardelijk kunnen geschieden, nl. zowel onder de voorwaarden die voortvloeien uit hetgeen onder lid 2 sub a-c is bepaald, als –
voor zover de hoofdelijk schuldenaar de schuldeiser nog niet voldaan heeft– onder voorwaarde van die voldoening. [42]
toekomstigis, omdat het een vordering is die hij krachtens zijn onderlinge rechtsverhouding met zijn hoofdelijk medeschuldenaar (bij borgstelling: met de hoofdschuldenaar) heeft verkregen of zal verkrijgen. Uit dit alles kan dan ook geen andere conclusie worden getrokken dan dat de wetgever heeft gewild dat ook de
toekomstigeregresvordering van de hoofdelijk schuldenaar (waaronder de borg) – die hij uit hoofde van de onderlinge rechtsverhouding met de andere hoofdelijk schuldenaar (bij borgstelling: met de hoofdschuldenaar), indien en nadat hij op grond van zijn aansprakelijkheid zal hebben betaald, zal verkrijgen – in die gevallen ter verificatie kan worden ingediend. [43]
verhaalkan nemen op de aan het pandrecht onderworpen goederen indien betaling door de hoofdelijk schuldenaar of borg deze vordering doet ontstaan tijdens het faillissement. Dat art. 136 Fw Pro. alleen over verificatie spreekt, is daarbij niet doorslaggevend. Dit is – nog afgezien van het feit dat het artikel staat in de afdeling die handelt over de verificatie van schuldvorderingen – logisch, nu het artikel, voor zover het specifiek ziet op de hoofdelijk schuldenaar of borg met een zekerheidsrecht (i.e. onder sub c), voor wat betreft de toekomstige regresvordering van de hoofdelijk schuldenaar of borg nu juist een voorziening beoogt te bieden voor de situatie in faillissement waarin deze vordering nog
niettot stand is gekomen. Op
datmoment is uiteraard nog geen verhaal door de zekerheidsgerechtigde mogelijk. Op grond van art. 136 Fw Pro. behoort dan echter
ten minstenog wel een voorwaardelijke verificatie van de vordering tot de mogelijkheden. [44] Dat het artikel niet rept van verhaal, is in meerdere opzichten voor de hand liggend.
gevallen waarin het gaat om verhaal uit hoofde van een niet ook aan de schuldeiser zelf toekomend zekerheidsrecht”) en de Hoge Raad (die verificatie in voornoemd arrest toelaat “
met dien verstande dat aan eischers niet meer wordt uitgekeerd dan de som, waarvoor zij batig gerangschikt kunnen worden op de opbrengst der na te melden aan [eischer] verbonden goederen of op de opbrengst bij eigenmachtigen verkoop, (…)”) duidelijk gebaseerd op het eventuele ontstaan van de mogelijkheid tot verhaal, ondanks dat de daarvoor vereiste betaling door de hoofdelijk schuldenaar of borg pas plaats zal vinden ná faillietverklaring. [46] Hierbij moet worden aangetekend dat in het geval waarover de Hoge Raad oordeelde sprake was van een reeds bestaande, voorwaardelijke vordering; de groep met vorderingen die art. 136 lid 2 Fw Pro. bestrijkt, omvat echter overduidelijk óók op het moment van faillietverklaring – en eventueel zelfs op het moment van verificatie – nog
toekomstigevorderingen.
zal verkrijgen, deze
in de rangregeling kunnen worden begrepen, hetzij voor het gehele
op het tijdstip van het opmaken van de staatreeds verschuldigde bedrag, hetzij, op verlangen van de pandhouder,
voorwaardelijk voor het hele bedrag waarvoor het pandrecht tot zekerheid strekt. Art. 132 lid 1 jo Pro. 2 Fw. stelt nog buiten twijfel dat schuldeisers wier vordering door pandrecht zijn gedekt, maar die kunnen aantonen dat een deel hunner vordering vermoedelijk niet batig gerangschikt zal kunnen worden op de opbrengst der verbonden goederen, kunnen verlangen dat hun voor dat deel de rechten van concurrente schuldeisers worden toegekend met behoud van hun recht van voorrang, en dat het bedrag waarvoor zij batig gerangschikt kunnen worden, óók wordt bepaald met inachtneming van art. 483e Rv. [48] Daarbij geldt voor
het tijdstip van het opmaken van de staatin de plaats treedt
de aanvang van de dag waarop de faillietverklaring werd uitgesproken. Art. 483e Rv. geldt dus
zowelin het geval dat de pandhouder zich als separatist verhaalt op de opbrengst van de verpande goederen (en voor zover deze opbrengst voldoet),
alsin het geval dat deze opbrengst niet voldoet en de pandhouder als concurrent schuldeiser in het faillissement opkomt – al is voor dit laatste geval
welen voor het eerste
nietuitdrukkelijk bepaald dat het tijdstip van opmaken van de staat daarbij moet worden gelezen als de aanvang van de dag waarop de faillietverklaring werd uitgesproken. Dit ligt bij de overeenkomstige toepassing van het artikel ook in dat laatste geval wel voor de hand. [49] In beide gevallen kan de pandhouder in een rangregeling óók voorwaardelijk worden opgenomen voor
op het moment van aanvang van de dag waarop de faillietverklaring werd uitgesprokennog
toekomstigevorderingen indien het pandrecht strekt tot zekerheid van vorderingen die de pandhouder
uit hoofde van een (toen) bestaande rechtsverhoudingzal verkrijgen. Als de pandhouder in het geval dat er een rangregeling wordt opgesteld, voor deze toekomstige vorderingen in die regeling kan worden opgenomen, betekent dit mijns inziens ook dat, in het geval dat er geen noodzaak bestaat tot het opstellen van een rangregeling en dit achterwege blijft, de pandhouder zich voor deze ten tijde van faillietverklaring toekomstige vorderingen na hun ontstaan tijdens faillissement – uit hoofde van een vóór faillissement reeds bestaande rechtsverhouding – (evenzeer) op de opbrengst kan verhalen. [50] Dit verhaal kan immers niet afhankelijk zijn van de opstelling van een rangregeling; een rangregeling brengt geen verandering in de verhaalsrechten van de daarbij betrokkenen. Dit betekent dat de pandhouder zich voor vorderingen die de pandhouder na faillietverklaring verkrijgt uit hoofde van een daarvóór reeds bestaande rechtsverhouding, dus (ook) als separatist en met voorrang tijdens faillissement van zijn schuldenaar kan verhalen op de verpande goederen indien het pandrecht strekt tot zekerheid van deze vorderingen. [51]
welvoldaan zou kunnen krijgen door middel van deze verrekening, en een preferent schuldeiser met voor dezelfde vordering rechtsgeldig tot stand gekomen zakelijke zekerheid die zich in dezelfde omstandigheden wil verhalen op de goederen waarop zijn zekerheidsrecht rust, zijn vordering
nietvoldaan zou kunnen krijgen door middel van dit verhaal. [55] Het fixatiebeginsel zou in dat geval geacht moeten worden niet in de weg te staan aan verrekening, maar wel aan verhaal met voorrang voor dezelfde vorderingen. [56]
rechtsverhoudingwaaruit de regresvordering (rechtstreeks) voortvloeit dan wel van een voordien door de hoofdschuldenaar/pandgever (de latere failliet) verrichte
handelingwaarin de regresvordering zijn (rechtstreekse) grondslag vindt, en in welke gevallen aan deze eis in het geval van het overwaardearrangement nu precies is voldaan.
rechtstreekse grondslagvindt in een
handeling welke vóór de faillietverklaring met de gefailleerde is verricht– van belang is. Ik meen dat juist in verband met het overwaardearrangement aan de eis van het voor faillissement verrichten van een handeling met de failliet vastgehouden moet worden. Het is m.i. noodzakelijk dat de pandgever/latere gefailleerde met de specifieke, aan de orde zijn borgstelling heeft ingestemd en daarbij heeft verklaard dat hij de regresvordering van de pandhouder/financier zal voldoen. Als de eis van de handeling door de gefailleerde niet gesteld zou worden, is het mogelijk dat de financier eenzijdig zonder invloed daarop van de latere gefailleerde door een borgstelling ten bate van een door de financier uitgekozen schuldeiser gaat bepalen welke schuldeisers een preferente status in het faillissement krijgen. Dat lijkt mij onwenselijk en geeft de financier een te grote machtspositie [58] .