Conclusie
2.Bespreking van het principale cassatiemiddel
subonderdelen 2ben
2cklagen over het volgende oordeel in rechtsoverweging 4.8:
subonderdeel 2dhad het hof moeten onderzoeken waarom de kinderen geen of minimaal contact zouden willen hebben, nu de vrouw daarom uitdrukkelijk heeft verzocht en is daarenboven onbegrijpelijk dat het hof zijn beslissing mede heeft gegrond op verklaringen van de gezinsvoogd en psychotherapeut [betrokkene 3] .
medeheeft gebaseerd op de verklaringen van de gezinsvoogd en psychotherapeut [betrokkene 3] en dat het hof de stelling van de vrouw dat aan het advies van [betrokkene 3] geen waarde kan worden gehecht als onvoldoende onderbouwd heeft afgewezen. Dit feitelijke oordeel kan in verband met art. 426a lid 2 Rv niet met vrucht worden bestreden met de stelling dat dit oordeel onbegrijpelijk is.
subonderdeel 2eis het oordeel van het hof dat de klachtenprocedures hebben bijgedragen aan de escalatie van de strijd tussen partijen rechtens onjuist omdat het hof daarmee het fundamentele karakter van wettelijk geregelde klachtenprocedures heeft miskend.
Subonderdeel 2fvoegt daaraan toe dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat de klachtenprocedures zich niet hebben afgespeeld tussen partijen. De subonderdelen hebben daarbij het oog op het volgende oordeel van het hof:
mede door de diverse klachtproceduresen de ernst van de thans ontstane conflictueuze situatie, niet te verwachten valt dat partijen hiertoe binnen afzienbare wel in staat zullen zijn. De door mij gecursiveerde zinsnede is dus maar een onderdeeltje van een veelomvattender oordeel.
ook thans nog diepgaand van mening blijken te verschillen over belangrijke zaken die de kinderen betreffen, zoals de voor hen gewenste behandeling en begeleiding.Dit blijkt ook uit de hierboven bij 2.11. genoemde door de vrouw in januari 2014 ingestelde procedure in kort geding, die onder meer betrekking had op een verschil van inzicht tussen haar en de man over de juiste (vervolg)behandeling voor [kind 3] en [kind 2] .”
subonderdeel 2htot slot zal het eindoordeel van het hof over het gezag niet in stand kunnen blijven ook indien slechts één van de vorige subonderdelen door Uw Raad gegrond mocht worden bevonden.
subonderdeel 4e, dat het hof niet vermeldt welke ernstige bezwaren [kind 1] heeft geuit, tenzij deze worden gebaseerd op delen van het gesprek tussen de voorzitter en [kind 1] die niet zijn opgenomen in het proces-verbaal, in welk geval art. 19 Rv Pro is geschonden. Nu het hof heeft nagelaten te onderzoeken waaruit de ernstige bezwaren bestaan en wat de oorzaken daarvan zijn, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus de subonderdelen.
Sahin tegen Duitsland [17] en
Sommerfeld tegen Duitsland [18] van 8 juli 2003 overwogen dat op grond van artikel 8 EVRM Pro de nationale rechter een eerlijke balans dient te treffen tussen de belangen van het kind bij geen omgang en het belang van de ouder bij omgang waarbij het belang van het kind voorop dient te worden gesteld. De nationale rechter geniet hierbij een ruime beleidsvrijheid omdat hij over de feiten oordeelt. In het geval een kind ouder dan twaalf jaar ernstige bezwaren heeft geuit tegen een omgangsregeling acht het EHRM (in de zaak
Sommerfeld tegen Duitsland)de inbreuk op de rechten uit artikel 8 EVRM Pro van de ouder niet onevenredig:
Elsholz,cited above, § 50; and
T.P. and K.M. v. the United Kingdom[GC], no. 28945/95, § 71, ECHR 2001-V; see also
Ignaccolo-Zenide v. Romania, no. 31679/96, § 94, ECHR 2000-I, and
Nuutinen v. Finland, no. 32842/96, § 128, ECHR 2000-VIII).
Buscemi v. Italy, no. 29569/95, § 55, ECHR 1999-VI). On this point, the Grand Chamber shares the view of the Chamber (see paragraph 41 of the Chamber’s judgment).
onderdelen 6 en 7zijn gericht tegen de afwijzing door het hof van de verzoeken van de vrouw in de rechtsoverwegingen 4.11 en 4.12. Blijkens de uitwerking is onderdeel 6 gericht tegen rechtsoverweging 4.11 [20] , waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
Neulinger and Shuruk tegen Zwitserland [21] ,
Gnahoré tegen Frankrijk [22] en
T.P. & K.N. tegen Verenigd Koninkrijk [23] .
Subonderdeel 6bklaagt dat het oordeel om geen nader onderzoek te gelasten door het NIFP onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd is met de overweging dat een nader onderzoek onrust met zich zou brengen voor de kinderen en niet in hun belang is. Daarnaast klaagt het subonderdeel dat de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd dat niet alleen naar het belang van de kinderen op de korte termijn maar ook naar hun belang op de lange termijn moet worden gekeken en dat het hof aan deze essentiële stelling voorbij is gegaan.
subonderdeel 6cheeft het hof zich onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van de moeder bij dit onderzoek en heeft het hof miskend dat het een eerlijke belangenafweging diende te treffen tussen de belangen van de kinderen en het belang van de moeder. Betoogd wordt voorts dat het hof niet ongemotiveerd voorbij mocht gaan aan het beroep van de moeder op haar bijzondere belangen bij dit onderzoek.
3.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
Onderdeel 3voegt daaraan de klacht toe dat de verwijzing door het hof naar de verklaring van de gezinsvoogd [28] onbegrijpelijk is, nu deze heeft verklaard dat één van de doelen van de ondertoezichtstelling contactherstel was, dat [kind 2] en [kind 3] echter geen contact willen, ook niet na therapie, dat zij niet verwacht dat daarin verandering komt door verdere therapie of begeleiding, maar dat zij hoopt dat als [kind 2] en [kind 3] ouder worden zij zelf contact zullen zoeken.