ECLI:NL:PHR:2015:1705

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2015
Publicatiedatum
8 september 2015
Zaaknummer
14/05524
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 163 Wegenverkeerswet 1994Art. 179 Wegenverkeerswet 1994Art. 434.1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens dubbele vervolging alcoholslotprogramma en strafvervolging

De zaak betreft een verdachte die op 26 april 2013 te Wageningen werd vervolgd wegens het niet meewerken aan een ademonderzoek in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelde hem tot een geldboete en ontzegging van de rijbevoegdheid. De verdachte stelde cassatie in met het middel dat het OM onterecht ontvankelijk was verklaard vanwege een vervolgingsbeletsel: de verdachte was reeds onherroepelijk verplicht tot deelname aan het alcoholslotprogramma (asp) voor hetzelfde feit.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (ECLI:NL:HR:2015:434) waarin werd vastgesteld dat strafvervolging in strijd is met de beginselen van een goede procesorde indien de verdachte reeds onherroepelijk tot het asp is verplicht. Dit geldt ook gedurende lopende bezwaar- of beroepsprocedures tegen het asp. In deze zaak kan in cassatie worden aangenomen dat de verdachte onherroepelijk tot deelname aan het asp is verplicht, waardoor het OM niet-ontvankelijk is in de strafvervolging.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verklaart het OM niet-ontvankelijk. De zaak wordt primair door de Hoge Raad afgedaan, subsidiair wordt het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde berechting. Deze beslissing sluit aan bij eerdere conclusies van de Procureur-Generaal en is gebaseerd op stukken van het CBR die bevestigen dat de maatregel nog van kracht is.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens dubbele vervolging van verdachte die reeds onherroepelijk tot deelname aan het alcoholslotprogramma was verplicht.

Conclusie

Nr. 14/05524
Zitting: 30 juni 2015
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 2 september 2014 de verdachte wegens “overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994”, veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft het Hof verdachte veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 179 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het
middelbehelst de klacht dat het Hof het Openbaar Ministerie ten onrechte ontvankelijk heeft geacht in de vervolging van verdachte terwijl sprake is van een vervolgingsbeletsel, te weten de eerder aan verdachte opgelegde bestuursrechtelijke maatregel alcoholslotprogramma (hierna: asp). [1]
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
‘hij op 26 april 2013 te Wageningen als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.”
5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 september 2014 heeft verdachte verklaard dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard door het CBR en dat er een alcoholslotprogramma [2] is opgelegd.
6. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in dat verdachte ter zake van overtreding van art. 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, is veroordeeld tot een geldboete en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, een en ander zoals hiervoor onder 1 vermeld.
7. Het middel is gestoeld op de recente uitspraak van de Hoge Raad van 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434. In dat arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het navolgende overwogen:
“4.4 Tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene is bij de huidige Nederlandse regelgeving de strafvervolging van een verdachte ter zake van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank in strijd met de beginselen van een goede procesorde in die gevallen waarin de verdachte op grond van datzelfde feit de onherroepelijk geworden verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Die beginselen van een goede procesorde kunnen immers meebrengen – en brengen in de hier aan de orde zijnde gevallen ook mee – dat een inbreuk op het beginsel dat iemand niet twee maal kan worden vervolgd en bestraft voor het begaan van hetzelfde feit, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tot gevolg heeft.
Dit vervolgingsbeletsel geldt eveneens gedurende een tegen de oplegging van het asp lopende bezwaar- of beroepsprocedure.
4.5 In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat in de onderhavige zaak aan de verdachte onherroepelijk de verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd. Dat betekent dat het oordeel van het Hof dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk is, juist is, wat er ook zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering.”
8. Het voorgaande betekent dat nu in cassatie ervan kan worden uitgegaan dat aan de verdachte onherroepelijk de verplichting tot deelname aan het asp is opgelegd, de zaak tot niets anders kan leiden dan tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn vervolging. Het middel is terecht voorgesteld en mitsdien kan het arrest van het Hof niet in stand blijven. Het is de vraag hoe deze constatering in cassatie verder moet worden verwerkt. Hetgeen ik heb geconstateerd laat geen andere uitkomst van de zaak open dan niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Daarom stel ik mij primair op het standpunt dat de Hoge Raad uit doelmatigheidsoogpunt zelf deze einduitspraak doet. Subsidiair stel ik mij op het standpunt dat het arrest moet worden vernietigd en de zaak moet worden teruggewezen.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
10. Deze conclusie strekt primair tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voor zover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd, en tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging en subsidiair tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Over deze kwestie heeft mijn ambtgenoot Aben op 16 juni 2015 in een zaak onder nummer 14/05317 reeds uitvoerig geconcludeerd.
2.Naar aanleiding van hetgeen in noot 1 in de schriftuur is opgenomen – te weten dat navraag bij het CBR op 16 maart 2015 heeft geleerd dat op 21 mei 2013 het besluit is genomen tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verdachte en het opleggen van een asp aan verdachte voor hetzelfde feit als in de onderhavige strafzaak, dat door verdachte geen bezwaar is gemaakt en dat de maatregel nog steeds van kracht is - heeft een medewerker van het wetenschappelijk bureau van de Hoge Raad telefonisch aan de raadsman verzocht een kopie van het besluit te doen toekomen. In reactie hierop heeft de raadsman per emailbericht van 16 juni 2015 het desbetreffende besluit aan de medewerker voornoemd doen toekomen. Tevens heeft de medewerker van het wetenschappelijk bureau desgevraagd ook op 17 juni 2015 digitaal van het CBR stukken met betrekking tot het aan verdachte opgelegde alcoholslotprogramma ontvangen. Deze stukken zijn op 18 juni 2015 digitaal doorgezonden aan de raadsman van verdachte.