Conclusie
Onderdeel 1(cassatieverzoekschrift p. 7) bevat, in essentie, twee klachten. De
eerste klacht(p. 7) kan zo worden begrepen dat erover wordt geklaagd dat het hof enerzijds in rov. 15.1 de eindbeslissing heeft genomen dat de omstandigheid dat het deskundigenonderzoek niet heeft plaatsgevonden in redelijkheid niet ten nadele van de man mag strekken, doch anderzijds niet de stelling van de man – dat de opgenomen gelden
geheelafkomstig waren uit zijn privévermogen – als vaststaand heeft aangenomen, maar in plaats daarvan in rov. 15.4 de schade schattenderwijs heeft vastgesteld (op een lager bedrag dan door de man gesteld).
tweede klachtvan onderdeel 1 (cassatieverzoekschrift p. 8) heeft het hof miskend dat het op grond van art. 196 lid 2 Rv Pro gehouden was de stelling van de man, dat het aan de rekening onttrokken bedrag geheel uit zijn privévermogen afkomstig was, als vaststaand aan te nemen, althans te motiveren waarom het niet van de juistheid van die stelling is uitgegaan.
categorischmoet zijn het in rechte als vaststaand aanmerken van de feitelijke stellingen van de wederpartij, berust zij op een onjuiste rechtsopvatting. Datzelfde geldt voor de subsidiaire stelling dat een afwijkende beslissing moet worden gemotiveerd. Deze stellingen druisen immers in tegen de duidelijke strekking van art. 196 lid 2 Rv Pro.
Onderdeel 2(cassatieverzoekschrift p. 8) klaagt dat het hof zijn schatting van het uit schenkingen en/of erfenis van de man afkomstige deel van het saldo op de ING-rekening op een bedrag van € 60.000,- (rov. 15.4) ten onrechte niet heeft gemotiveerd.
Gelet op het een en ander…”) getrokken conclusie. Het geschatte bedrag komt dan ook niet “uit de lucht vallen”, zoals de man in cassatie betoogt (p. 9), maar sluit vrij nauw op genoemde bedragen aan, zoals een aftreksom illustreert: € 460.964,27 (ontvangen) minus € 375.000 (belegd) minus € 22.689,01 (de voor het makelaarskantoor ingezette
f50.000) = € 63.275,26. Het hof heeft het kennelijk aannemelijk geacht dat het overgrote deel van hetgeen resteert van het bedrag dat door de man oorspronkelijk uit schenking/erfenis was ontvangen, zich op de ING-rekening heeft bevonden. Bij aanvullend verzoekschrift in cassatie (p. 2, onder B) lijkt de man zich overigens eveneens tot deze lezing te hebben bekeerd, gezien de vergelijkbare berekening die hij daar aandraagt.
aanvullend verzoekschriftbevat drie klachten (A-C) in aanvulling op onderdeel 2. De
klachten A en Bveronderstellen dat het hof zijn schatting heeft gebaseerd op de (in het proces-verbaal vermelde) stelling van de vrouw dat partijen een rekening hadden met een saldo van € 60.000,-, welke rekening was bevroren, en klagen dat zulks in strijd is met de vaststelling dat het achterwege blijven van het deskundigenonderzoek niet ten nadele van de man mag strekken (klachten A en B), al was het maar omdat dat de in rov. 15.4 gehanteerde berekening zou uitkomen op een bedrag van € 63.237 [5] (klacht B).
Klacht Cbetoogt dat ’s hofs schatting op precies het bedrag van (slechts) € 60.000 ten onrechte niet of onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de op een bedrag van € 63.237 sluitende berekening in rov. 15.4.
conclusiestrekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a lid 1 RO.