Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof zijn oordeel dat het OM ontvankelijk is in de vervolging niet nader heeft gemotiveerd.
tweede middelklaagt over de ontoereikend gemotiveerde verwerping van het verweer dat het Landsbesluit verboden onderwaterjachtmiddelen onverbindend is op de grond dat bij de totstandkoming ervan de consultatieprocedure niet op de wettelijk voorgeschreven wijze in acht is genomen.
derde middelklaagt dat het Hof het verweer dat het Landsbesluit verboden onderwaterjachtmiddelen onverbindend is wegens strijd met art. 14c APV, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
‘ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde opheffen’. Voor zover het Hof hiermee wat (te) zuinig is geweest in zijn motivering merk ik op dat wat daar ook van zij, het Hof het verweer alleen maar had kunnen verwerpen. Art. 14c is in de APV immers opgenomen in hoofdstuk II ‘Maatregelen ter bevordering van de openbare orde, rust, veiligheid en reinheid’, onder paragraaf 1 ‘Algemene orde en veiligheid’. Daaruit kan genoegzaam worden afgeleid dat doel en strekking van dit verbod in de APV de handhaving van de openbare orde en veiligheid betreft. Hierin onderscheidt de APV zich wezenlijk van doel en strekking van de NBV en het daarop gebaseerde Landsbesluit verboden onderwaterjachtmiddelen. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis zijn doel en strekking van deze twee laatstgenoemde regelgevingen immers de bescherming van het mariene milieu van Aruba.
in alle gevallenvrijlaat. [28] Deze verbodsbepaling verschaft dus geen ongelimiteerde toestemming tot het harpoeneren van ieder non-humaan leven buiten de gestelde gebiedsgrens. Deze onnavolgbare redenering van de steller van het middel zou overigens ook de verboden bij of krachtens de MMV buiten toepassing stellen. Van enige strijdigheid met, dan wel doorkruising van hogere wetgeving is m.i. geen enkele sprake.
vierde middelklaagt over de ontoereikend gemotiveerde verwerping van het verweer dat de naast elkaar gehandhaafde bepalingen (uit de MMV, de NBV, het Landsbesluit verboden onderwaterjachtmiddelen en art. 14c APV) tegenstrijdig en verwarrend zijn. Dit leidt tot onverbindendheid van het Landsbesluit verboden onderwatermiddelen wegens strijd met het vereiste van voorzienbaarheid, aldus luidde het verweer.
vijfde middel, gelezen in samenhang met de toelichting, herhaalt in de kern bezien met name de motiveringsklachten die reeds zijn aangevoerd in het tweede en het vierde middel. In het onderhavige middel wordt nu de stelling betrokken dat aan de totstandkoming van het Landsbesluit verboden onderwaterjachtmiddelen zodanig ernstige gebreken kleven dat het om die reden onverbindend zou moeten zijn wegens onder andere het verbod op willekeur.
zesde middelklaagt dat het Hof bij de verwerping van het verweer dat het Landsbesluit verboden onderwaterjachtmiddelen onverbindend is op de grond dat de Arubaanse regering haar regelgevingsbevoegdheid heeft overschreden, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, dan wel dit verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
zevende middelklaagt over de ontoereikend gemotiveerde verwerping van het verweer dat het Landsbesluit verboden onderwaterjachtmiddelen onverbindend is op de grond dat het duplicatie van reeds bestaande wetgeving bevat en derhalve leidt tot een ontoelaatbare doorkruising van die wetgeving.
achtste middelklaagt dat het Hof het verweer dat het algehele verbod op onderwaterjachtmiddelen strijdig is met het recht op eigendom, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. Er zou, volgens de steller van het middel, niet een ‘fair balance’ bestaan tussen het belang dat beoogd wordt te beschermen met het gewraakte landsbesluit, en het belang van de speervissers.
individueleverdachte een ‘hobbyvisser’ is, meen ik dat dit middel geen aanleiding geeft tot enige inhoudelijke bespreking.