ECLI:NL:PHR:2015:1760

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2015
Publicatiedatum
14 september 2015
Zaaknummer
14/03235
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oplegging maatregel terbeschikkingstelling met verpleging ondanks deskundigenadvies psychiatrische opname

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 mei 2014, waarin de verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging wegens poging tot doodslag en diefstal, maar tegelijkertijd werd onderworpen aan de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De verdediging voerde aan dat bij bewezenverklaring de verdachte geheel ontoerekeningsvatbaar zou moeten worden verklaard en dat in plaats van de maatregel van terbeschikkingstelling een opname in een psychiatrisch ziekenhuis passend zou zijn, mede omdat de situatie van de verdachte was verbeterd. De deskundigen hadden geadviseerd tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, wat volgens de verdediging voldoende waarborgen bood.

Het hof overwoog echter dat ondanks het gewijzigde deskundigenadvies het risico op herhaling van de feiten nog steeds zodanig was dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging noodzakelijk bleef. Het hof motiveerde dat de gewijzigde situatie van de verdachte niet tot een ander oordeel leidde.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof op afdoende en begrijpelijke wijze heeft gereageerd op de aangevoerde bezwaren en dat het hof vrij stond om af te wijken van het meest recente deskundigenadvies. Het cassatiemiddel faalt en het beroep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging ondanks het deskundigenadvies tot psychiatrische opname.

Conclusie

Nr. 14/03235
Zitting: 30 juni 2015
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[verzoekster = verdachte]
1. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 28 mei 2014 – onder bevestiging van het vonnis van de Rechtbank Limburg van 20 augustus 2013 behoudens ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en met aanvulling van de motivering van de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege - verzoekster wegens “1 primair: poging tot doodslag” en “3: diefstal”, ontslagen van alle rechtsvervolging en de terbeschikkingstelling van verzoekster gelast, met verpleging van overheidswege. Voorts heeft het Hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, één en ander op de wijze vermeld in het arrest.
2. Namens verzoekster heeft mr. R.W.J.L. Loonen, advocaat te Heerlen, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel klaagt erover dat het Hof meerdere door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten heeft verworpen, terwijl die verwerpingen niet of niet voldoende zijn gemotiveerd, althans de motivering die verwerpingen niet kan dragen. De steller van het middel doelt kennelijk op hetgeen door hem ter terechtzitting in hoger beroep van 15 mei 2014 is aangevoerd omtrent de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, inhoudende:
“(…) In geval van een bewezenverklaring, dient cliënte geheel ontoerekeningsvatbaar te worden verklaard, te worden ontslagen van alle rechtsvervolging en dient niet de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging te worden opgelegd maar de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Het gaat beter met cliënte en dat dient te worden meegewogen in de op te leggen straf of maatregel.
(…)
Met betrekking tot de vraag of aan cliënte, in geval van een bewezenverklaring, een maatregel dient te worden opgelegd, wil ik volgende naar voren brengen. De deskundigen hebben twee keer gesproken met cliënte. Cliënte staat nu al langer onder behandeling en de deskundigen hebben daar conclusies aan kunnen verbinden. Wie zijn wij om dat tegen te spreken? In de eerste rapporten was het al een dubbeltje op zijn kant of terbeschikkingstelling moest volgen. Die rapporten zijn nu verder aangevuld en de conclusie is dat een opname in een psychiatrische kliniek voldoende waarborgen biedt voor de maatschappij en voor het slachtoffer. Cliënte zal niet buiten komen voordat ze is genezen. Dat cliënte het liefst thuis zou zijn, is begrijpelijk. Ze wil liever in de buurt van haar familie behandeld worden. Dat zal haar herstel ook zeker ten goede komen. Het is ook een reële mogelijkheid, nu er een psychiatrische kliniek in Heerlen is. Ik ben van mening dat het hof de conclusies van de deskundigen dient te volgen.”
4. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak naar aanleiding van het aangevoerde als volgt overwogen:
“(…) Voorts komt het hof ten aanzien van de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege nog tot een aanvullende overweging, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
In hoger beroep is de vraag aan de orde gekomen of - indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen - aan verdachte, die volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht, de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zou moeten worden opgelegd dan wel dat de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zou moeten worden gelast.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
De deskundigen J.L.M. Dinjens, psychiater, en F. Van Nunen, psycholoog, hebben hun in eerste aanleg uitgebrachte rapportage op respectievelijk 14 en 17 april 2014 aangevuld. Beide deskundigen concluderen thans, met enig voorbehoud, tot plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis.
In het rapport van Dinjens, d.d. 14 april 2014 wordt - zakelijk weergegeven - het volgende gesteld.
“De diagnostiek blijkt ten opzichte van rapportage van eigen hand (d.d. 10 april 2013) ongewijzigd. Betrokkene lijdt overduidelijk aan een procespsychose, in concreto schizofrenie van het ongedifferentieerde type.
Betrokkene heeft een blijvende kwetsbaarheid en het doormaken van nieuwe psychotische episodes kan niet worden uitgesloten."
In het rapport van Van Nunen, d.d. 17 april 2014, wordt - zakelijk weergegeven - het volgende gesteld.
"Er blijft bij betrokkene sprake van aanmerkelijke psychopathologie. Betrokkene kan beschouwd worden als een psychiatrische patiënt, die psychisch erg kwetsbaar is en die onder stress al snel de grip op de realiteit kan verliezen. Betrokkene is een psychische zeer kwetsbare en raakbare vrouw, die hulp en steun nodig heeft. Onder teveel stress kan ze psychisch desintegreren met sterke angst en paranoïde getinte psychotische wanen (bijvoorbeeld achtervolgingswaan).
Betrokkene is erg raakbaar en gevoelig voor spanningen en bedreigingen van buitenaf. Ze is een psychisch kwetsbare patiënt, die intensieve en duurzame behandeling behoeft."
Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen omtrent het recidiverisico en mede gelet op vorenstaande bevindingen van de deskundigen Dinjens en Van Nunen acht het hof - evenals de rechtbank en anders dan thans de deskundigen - het risico op herhaling van de feiten als bewezen verklaard nog steeds dusdanig, dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege noodzakelijk is, en derhalve niet kan worden volstaan met plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. De gewijzigde situatie, de persoon van verdachte betreffende, leidt niet tot een ander oordeel.”
5. Ik meen dat het Hof hiermee op afdoende en geenszins onbegrijpelijke wijze heeft gerespondeerd op hetgeen door de raadsman is aangevoerd. Het Hof waardeert de aanvulling van de gedragsdeskundigen Dinjens en Van Nunen anders dan de verdediging dat doet. Dat is gelet op de inhoud van die aanvulling en de inhoud van hun eerder uitgebrachte rapportage geenszins onbegrijpelijk. Het stond het Hof vrij om op de door hem vermelde gronden in afwijking van het meest recente advies van de genoemde gedragsdeskundigen toch de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege op te leggen. [1]
6. Het middel faalt en kan worden afgedaan op de voet van art. 81, eerste lid, RO.
7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 20 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3162, NJ 2009/324 m.nt. P.A.M. Mevis.