Conclusie
middelklaagt dat het Hof de verdachte ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep.
Parket bij de Hoge Raad
Verdachte werd door de politierechter veroordeeld voor een overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet Pro 1994 en kreeg een geldboete opgelegd, die bij niet-betaling werd vervangen door hechtenis. Daarnaast werd een ontzegging van de rijbevoegdheid en een voorwaardelijke gevangenisstraf gelast. Het Hof Den Haag verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep omdat het hoger beroep te laat was ingesteld, naar aanleiding van de constatering dat verdachte tevoren bekend was met de datum van de terechtzitting.
De Hoge Raad onderzocht of het Hof terecht had geoordeeld dat verdachte tijdig kennis droeg van de dag van de terechtzitting. Het Hof had het standpunt ingenomen dat de oproeping vordering tenuitvoerlegging aan een schriftelijk gemachtigde was uitgereikt en dat verdachte daardoor bekend was met de dag van de zitting. De Hoge Raad oordeelde dat deze conclusie niet zonder meer begrijpelijk is, omdat uit de oproeping tenuitvoerlegging niet expliciet volgt dat ook de strafzaak op die dag zou worden behandeld.
De Hoge Raad stelde vast dat de dagvaarding niet in persoon aan verdachte was betekend, maar als gewone brief naar het GBA-adres was verzonden. De kennis van de dag van de tenuitvoerleggingszitting impliceert niet automatisch kennis van de hoofdzaak. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep op de bestaande gronden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de niet-ontvankelijkverklaring en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.