Conclusie
middelkomt met diverse klachten op tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
(…)
De raadsman voert het woord in dupliek en verklaart - zakelijk weergegeven -:
Vordering van de benadeelde partij [A] BV
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak is de verdachte door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen met braak. Het hof kende tevens een schadevergoedingsmaatregel toe aan de benadeelde partij [A] BV voor schade aan woningen aan het [a-straat] 160 en 162.
De benadeelde partij had een vordering ingediend van €3.764,89, gebaseerd op een offerte voor herstelwerkzaamheden aan de woningen. De verdediging betwistte de hoogte en specificatie van deze vordering, onder meer omdat onduidelijk was of de kosten daadwerkelijk waren gemaakt en of de benadeelde partij namens de bewoners optrad.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat [A] BV rechtstreeks schade heeft geleden en namens de bewoners van de betrokken woningen optrad. De vordering strekt tot vergoeding van schade die niet rechtstreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit, en het hof heeft dit niet begrijpelijk toegelicht.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest voor zover het de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel betreft, en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling in hoger beroep. Ambtshalve zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover het de schadevergoeding betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.