Conclusie
“overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertien uren te vervangen door zeven dagen hechtenis.
middelbevat twee afzonderlijke klachten. De eerste klacht houdt in dat de veroordeling in strijd is met het verbod op dubbele bestraffing (ne bis in idem). De tweede klacht houdt in dat de kantonrechter in zijn vonnis van 13 februari 2013 onvoldoende rekening heeft gehouden met het bepaalde in art. 63 Sr Pro.
de politie[rechter? D.A.]
de tenlastegelegde omstandigheid dat cliënt het motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs in zijn oordeel[heeft]
betrokken.”
onder een bepaalde categorie” waarop art. 8, vierde lid, WVW 1994 betrekking heeft, zoals het hof in zijn arrest heeft vastgesteld. Zonder problemen is deze overweging niet nu de raadsman ter terechtzitting van het hof weinig informatie heeft aangedragen over het misdrijf waarvoor de verdachte in 2012 is veroordeeld. De betreffende tenlastelegging of het vonnis van de politierechter zijn niet overgelegd, voor zover dat kan blijken uit het proces-verbaal dat van de terechtzitting van het hof is opgemaakt. [1] De raadsman van de verdachte heeft in zijn ter terechtzitting van het hof overgelegde pleitnotitie slechts aangevoerd dat het rijden zonder rijbewijs heeft plaatsgevonden “
op dezelfde plaats en tijd”, [2] waarmee kennelijk werd gedoeld op dezelfde plaats en tijd als waarop het rijden onder invloed heeft plaatsgevonden waarvoor de verdachte door de politierechter is veroordeeld.
Art. 8 lid Pro 2, 3 en 4 WVW 1994
Artikel 107 lid 1 WVW Pro 1994
Artikel 176 lid 3 WVW Pro 1994
Artikel 177 lid 1 onder Pro a WVW 1994
Artikel 178 WVW Pro 1994
NJ2014/526, m.nt. J.M. Reijntjes was aan de verdachte op 20 januari 2011 een strafbeschikking uitgevaardigd ter zake van rijden onder invloed onder de omstandigheid als bedoeld in art. 8, vierde lid, WVW 1994, namelijk dat hij niet in het bezit was van een rijbewijs. De verdachte werd echter afzonderlijk gedagvaard ter zake van rijden terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard. Het ging in die zaak dus niet om het rijden zonder rijbewijs – waarop art. 107, eerste lid, WVW 1994 van toepassing is – maar om het rijden terwijl de bestuurder weet of redelijkerwijs moet weten dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard – waarop art. 9, tweede lid, WVW 1994 van toepassing is. Toch is het door de Hoge Raad aangebrachte onderscheid voor de onderhavige zaak van belang.