Conclusie
A-G) strook in bezit heeft genomen waarvan hij, [eiser], eerder door verjaring eigenaar was geworden) “op geen enkele wijze gemotiveerd [heeft] onderbouwd, noch in de overgelegde stukken, noch bij gelegenheid van de plaatsopneming”, zodat hij ook niet werd toegelaten tot bewijslevering op dit punt (rov. 2.14).
Onderdeel 1komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 214 dat [eiser] niet wordt toegelaten tot het leveren van bewijs van zijn stelling dat de zuidelijke hoekpaal van de afrastering oorspronkelijk 50 cm oostwaarts stond. Geklaagd wordt dat het hof aldus zonder motivering, op onbegrijpelijke wijze en in strijd met verschillende (supra)nationale rechtsregels is voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van [eiser].
Onderdeel 2richt zich tegen de vaststelling (in rov. 2.13) dat
“Partijen (…) het er over eens (zijn) dat deze boom altijd de grens tussen beide percelen heeft gemarkeerd en nog steeds op de grens staat”.Daartoe wordt aangevoerd dat [eiser] steeds heeft verklaard dat de eikenboom op zijn grond staat (verwezen wordt naar het p-v van descente, p. 3).
Onderdeel 3richt zich eveneens tegen de ook reeds met onderdeel 1 bestreden beslissing dat [eiser] niet wordt toegelaten tot bewijslevering met betrekking tot zijn stelling dat de zuidelijke hoekpaal oorspronkelijk 50 cm meer oostwaarts stond (rov. 2.14). Thans wordt tevens aangevoerd dat [eiser] ter onderbouwing een foto heeft overgelegd (prod. 4 bij inl. dagv.).
Onderdeel 4keert zich tegen de overweging in rov. 2.16 dat
“[eiser] (…) voorts niet (heeft) aangegeven op welk tijdstip na de vaststelling van de kadastrale grens in het kader van de ruilverkaveling op 16 december 1994 de verjaring dan wel een aanvang zou hebben genomen.”Volgens [eiser] is die vaststelling onbegrijpelijk in het licht van zijn stelling “dat de oude situatie al sinds 1973 bestond”, hetgeen volgens hem betekent dat de verjaring op 16 december 1994 is gaan lopen.
Onderdeel 5bevat een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.16 dat
“[eiser] er niet in (is) geslaagd voldoende onderbouwd aan te tonen dat hij het strookje tussen de kadastrale grens en de afrastering voor zichzelf is gaan houden.”Aangevoerd wordt dat [verweerster] ter zitting verklaard heeft dat zij in de periode van 1994 tot 2006 beweid heeft
binnende afrastering zoals die er
toenstond (p-v, p. 4).
nadie datum (opnieuw) in bezit moet hebben genomen. ’s Hofs met de onderdelen 4 en 5 bestreden oordeel, dat er op neer komt dat [eiser] niet heeft onderbouwd dat hij
na16 december 1994 tot zodanige inbezitneming is overgegaan, is niet onbegrijpelijk. Inbezitneming volgt niet uit de enkele aangevoerde omstandigheid dat [eiser] daar – lees: in 1973/74,
A-G [6] – bomen en struiken had geplant, zoals het hof heeft overwogen. Dat volgt evenmin uit de in de onderdelen aangevoerde omstandigheden dat de oude situatie al sinds 1973 bestond en dat [verweerster] van 1994 tot 2006 geweid heeft binnen de toen bestaande afrastering.
Onderdeel 6ziet ten
eersteop de vaststelling in rov. 2.16 dat [eiser] in verband met langdurig verblijf in het buitenland niet aanwezig was bij de plaatsopneming. Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte niet heeft vermeld dat de reden voor die afwezigheid was dat [eiser] op medische gronden niet mocht reizen en dat het hof weigerde uitstel te verlenen. Een en ander is voorts in strijd met een eerlijke rechtsgang, aldus [eiser].
tweedeklacht van onderdeel 6 richt zich, zo begrijp ik, tegen de vaststelling door het hof in rov. 2.16, dat [verweerster] (en niet [eiser]) de noordelijke afrastering heeft geplaatst. Geklaagd wordt dat die vaststelling onbegrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de afrastering er reeds stond bij de aankoop van zijn perceel door [eiser] in 1973, welke afrastering in 2006 door [verweerster] is verplaatst.
conclusiestrekt tot verwerping.