ECLI:NL:PHR:2015:186

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 maart 2015
Publicatiedatum
16 maart 2015
Zaaknummer
14/02965
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 254 RvArt. 256 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing spoedeisend belang bij vorderingen tot medewerking overdracht aandelen en opheffing non-concurrentiebeding

KD Group Ltd., een op de Seychellen gevestigde vennootschap, vorderde in kort geding dat Euromedic Investments B.V. medewerking zou verlenen aan de overdracht van aandelen in Cypriotische dochtervennootschappen en betaling van €1.000.000,- op grond van een putoptie in een aandeelhoudersovereenkomst. Tevens vorderde KD opheffing van een non-concurrentiebeding. De voorzieningenrechter wees deze vorderingen toe, maar het hof Amsterdam vernietigde dit vonnis en wees de vorderingen af wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Het hof motiveerde dat nader feitelijk onderzoek nodig was om de vorderingen te beoordelen en dat het kort geding daarvoor onvoldoende ruimte bood. Ook achtte het hof het niet aannemelijk dat KD het non-concurrentiebeding zou overtreden en dat de beoordeling van dit beding in kort geding niet aangewezen was. KD stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd bij de beoordeling van het spoedeisend belang en dat het hof terecht had geoordeeld dat het kort geding niet geschikt was voor de beoordeling van de vorderingen. De klachten van KD over onvoldoende motivering en het oordeel over het non-concurrentiebeding slaagden niet. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van KD wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bevestigd.

Conclusie

Zaaknummer: 14/02965
Roldatum: 6 maart 2015
mr. Wuisman
CONCLUSIE inzake:
De vennootschap naar buitenlands recht K.D. GROUP Ltd.,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel;
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EUROMEDIC INVESTMENTS B.V.,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
( [1] )
(i) [betrokkene 1], die activiteiten op het vlak van medische dienstverlening ontplooit, is bestuurder en aandeelhouder van eiseres tot cassatie, een op de Seychellen gevestigde vennootschap (hierna: KD). KD hield 100% van de aandelen in de Cypriotische vennootschappen Applied Capital Ltd. (hierna: AC) en Vibsus Ltd. (hierna: Vibsus). AC en Vibsus hielden tezamen 100% van de aandelen in de in Roemenië opererende vennootschappen Laurus Medical Srl en Laurus Management Srl (hierna samen: Laurus). Na in 2006 de eerste kliniek in Roemenië te hebben geopend, dreef Laurus in 2010 aldaar elf medische klinieken.
(ii) [betrokkene 2], die zich bezig houdt met investeringsactiviteiten, is bestuurder en aandeelhouder van verweerster in cassatie (hierna: Euromedic).
(iii) Op 21 december 2010 werden de volgende overeenkomsten gesloten
( [2] ):
Een
Share Purchase and Subscription Agreement(hierna: SPA) waarbij KD 70% van haar aandelen in AC en Vibsus aan Euromedic verkocht.
Een
Shareholders Agreement(hierna: SHA) tussen KD en Euromedic.
Een
Consulting Agreement -ook wel
Management ServicesAgreement genoemd
tussen enerzijds KD als ‘consultant’ en anderzijds AC en Vibsus.
Een
Employment Agreementtussen enerzijds [betrokkene 1] en anderzijds Laurus Medical Srl en Laurus Management Srl.
(iv) In de SHA is onder meer het volgende bepaald:
“1.2 No Sale by K.D.
For the period where K.D.’s Management Services Agreement is in force, and in any case for a period which shall not exceed three (3) years from the Effective Date herein, whereby K.D. shall supply such Management Services (...) provided however, that termination of the employment of the individual nominated by K.D. as CEO, shall not have been made for cause (...) shall be subject to an absolute prohibition on Transfers of any of its Shares other than as specifically provided for in this Agreement.(...)
6. Call/Put Option
(...) 6.1.5 Upon exercise of any of the Call or Put Option provided for below, the exercising Party shall approach KPMG, who will calculate the applicable Option price (…). Euromedic shall pay the applicable Option Price calculated by KPMG within thirty (30) days from receipt of KPMG’s applicable Option price.
6.2
The exercise price of the Call Option or the Put Option, as applicable, shall be the higher of the following two options:
6.2.1
The Multiplier multiplied by the EBITDA, divided with the number of the issued and outstanding shares of the Companies on a fully diluted basis, multiplied by the number of shares held by K.D.;
6.2.2. € 500,000 (…)
for the first 10% of the shares, and € 25,000(...) for each additional 1% of the shares;(...)
6.4
Put Option: K.D. shall have the right to exercise the Put Option and enforce Euromedic to purchase its shares for a period of three (3) months starting from either(...) or (ii) the termination of K.D.’s Services Management Services Agreement as specified in Section 1.2 above. K.D. may exercise the Put Option by notifying Euromedic Investments in writing of its intention to do so.
18 Non Compete; Non Solicitation
So long as a shareholder holds shares in the Companies, and for a period of twelve (12) months thereafter, it shall not compete with the Companies in the Field of Activity in the Territory
( [3] )as specified in the Purchase Agreement directly or indirectly. (...)”
De Consulting Agreement bevat onder meer de volgende bepaling:

Term and Termination(...)
7.3 (...)
the Companies shall be entitled to terminate their Agreement for Cause (as defined below) forthwith, and without prior notice(...). “For purposes hereof, “Cause” shall mean (i) a material breach of the Service Provider’s representations, warranties or obligations pursuant to this Agreement, provided that the Service Provider failed to cure the breach (...).”
(v) Een door [betrokkene 2] uit naam van Euromedic alsmede van AC en Vibsus ondertekende brief van 6 juni 2012 aan KD en [betrokkene 1] vermeldt onder meer:

RE: Termination Of Consulting/Management Service & Employment Agreements
As you already informed, Euromedic Investments B.V. and the Chairman of the Board of Laurus Medical S.R.L. decided and has appointed [betrokkene 3] as the CEO of Laurus (...) In light of that we hereby notify the termination with immediate effect of:
1.Consulting Agreement (...)
2.Employment Agreement signed on December 21st, 2010 between (…) [betrokkene 1] and Laurus (...).”
(vi) Een brief van 27 juni 2012 van KD aan Euromedic vermeldt het volgende:

RE: Exercise of Put option
(...) According to article 6.4 of the Share Holders Agreement (...) we, K.D. Group LTD would like to exercise the Put Option granted to us in the said agreement. (...)”
(vii) KD heeft Euromedic vervolgens nog bericht dat zij ervoor kiest de in de brief van 27 juni 2012 bedoelde putoptie uit te oefenen voor een prijs berekend op basis van art. 6.2.2 van de SHA, te weten € 1.000.000,-.
(viii) Geen van partijen heeft de in art. 6.1.5 van de SHA bedoelde waardebepaling door KPMG laten uitvoeren.
1.2
Bij exploot van 9 april 2013 heeft KD Euromedic opgeroepen om op 23 april 2013 ter zitting van de Voorzieningenrechter van de rechtbank te Amsterdam te verschijnen. Zij heeft gevorderd om Euromedic ter nakoming van putoptie uit artikel 6.4 van de SHA te veroordelen tot medewerking aan de overdracht aan Euromedic van de aandelen die KD nog in AC en Vibsus heeft, en tot betaling aan KD van een bedrag van € 1.000.000,-. Verder heeft KD gevorderd om voor recht te verklaren dat KD vanaf 27 juni 2013 niet meer aan het non-concurrentiebeding van artikel 18 van Pro de SHA zal zijn gebonden totdat in een bodemprocedure onherroepelijk anderszins is komen vast te staan, althans om Euromedic te gebieden te gehengen en te gedogen dat KD vanaf 27 juni 2013 weer medische diensten zal leveren in “the Field of Activity” en “the Territory” als in de SPA omschreven.
1.3
Euromedic heeft niet alleen de vorderingen van KD bestreden, maar ook harerzijds in reconventie vorderingen ingesteld. Zij heeft gevorderd om KD te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 800.000,- als voorschot op een schadevergoeding en tot opheffing van een door KD gelegd beslag. Voorts heeft zij gevorderd KD zekerheid te laten stellen voor een bedrag van € 1.000.000,- als voorwaarde bij een eventuele uitvoerbaar bij voorraad verklaring van een veroordeling van haar om een bedrag van € 1.000.000,- aan KD te voldoen c.q bij handhaving van het onder haar gelegde beslag.
1.4
Bij vonnis d.d. 8 mei 2013 heeft de Voorzieningenrechter, na verwerping onder meer van het verweer van Euromedic dat niet aan de eis van spoedeisendheid zou worden voldaan, in conventie Euromedic veroordeeld tot medewerking aan de overdracht aan haar van de aandelen in AC en Vibsus en tot betaling van het bedrag van € 1.000.000,- aan KD door storting op een derdenrekening op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ook heeft de Voorzieningenrechter het non-concurrentiebeding in artikel 18 van Pro de SHA met ingang van 27 juni 2013 geschorst. De door Euromedic in reconventie ingestelde vorderingen heeft de Voorzieningenrechter alle afgewezen.
1.5
Euromedic is van het vonnis van de Voorzieningenrechter in appel gegaan bij het hof Amsterdam, dat bij eindarrest d.d. 8 april 2014 het vonnis heeft vernietigd en, opnieuw recht doende, de vorderingen van KD alsnog alle heeft afgewezen. Het hof is van oordeel dat niet aan de eis van spoedeisendheid is voldaan.
1.6
KD is van het eindarrest van het hof tijdig in cassatie gekomen.
( [4] )Bij conclusie van antwoord heeft Euromedic niet alleen tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd, maar tevens haar standpunt in cassatie schriftelijk toegelicht. KD heeft niet een aparte schriftelijke toelichting genomen maar wel nog gerepliceerd.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel bevat klachten over het volgens het hof niet voldaan zijn aan de eis van spoedeisend belang ten aanzien van de vorderingen tot medewerking aan de overdracht van de aandelen en tot betaling van € 1.000.000,- (onderdeel 1) en ten aanzien van de vorderingen tot opheffing van het non-concurrentiebeding (onderdeel 2).
Enkele inleidende opmerkingen
2.2
In de eis van spoedeisend belang liggen de volgende in artikel 254 lid 1 Rv Pro opgesomde elementen besloten: het element spoedeisendheid in de zin van dat een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist en het element dat de toewijsbaarheid van de onmiddellijke voorziening dient te worden beoordeeld in het licht van de belangen van de betrokken partijen, zoals deze ten tijde van de uitspraak zijn. Een aspect dat de voorzieningenrechter in verband met het laatstgenoemde element in beginsel in aanmerking heeft te nemen, is de waarschijnlijke uitkomst van een beslechting van het geschil in een eventuele bodemprocedure.
( [5] )Komt de voorzieningenrechter de zaak niet geschikt voor om in kort geding te worden beslist, dan kan hij, zo volgt uit artikel 256 Rv Pro, de verlangde voorziening weigeren. Daartoe kan hij bijvoorbeeld beslissen wanneer binnen het kader van het kort geding er niet voldoende klaarheid omtrent de bij het geschil spelende feiten kan worden verkregen. Van deze bevoegdheid mag de voorzieningenrechter ambtshalve gebruik maken, maar de klemmendheid van de belangen over en weer en de voor de verkrijging van klaarheid geboden tijd en inspanning dienen bij de uitoefening van deze bevoegdheid te worden meegewogen. Deze factoren kunnen aanleiding geven om de beslissing tot gebruik maken van de bevoegdheid onvoldoende gemotiveerd te achten.
( [6] )
Onderdeel 1
2.3
Bij de beoordeling van de vraag of voldaan is aan de eis van spoedeisend belang ten aanzien van de vorderingen tot medewerking van Euromedic aan de overdracht van de aandelen en tot betaling door haar van € 1.000.000,-, neemt het hof in aanmerking wat KD volgens het hof zelf daartoe heeft aangegeven. In rov. 3.3.1, eerste volzin, vermeldt het hof dat KD heeft gesteld dat zij recht en belang heeft bij de spoedige behandeling van het geschil “omdat de vordering simpelweg voor toewijzing gereed ligt”.
( [7] )In rov. 3.3.5, eerste volzin, merkt het hof op dat KD in hoger beroep nog heeft aangevoerd dat haar belang bij de gevraagde voorzieningen wel spoedeisend was, omdat ten tijde van de zitting in eerste aanleg inmiddels bijna een jaar was verstreken na de brief van 6 juni 2012, terwijl KD in elk geval vanaf oktober 2012 niet meer bij de gang van zaken in de vennootschap betrokken was. Het hof onderzoekt ten aanzien van beide redenen of zij tot de conclusie leiden dat KD een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen tot medewerking van Euromedic aan de overdracht van de aandelen en tot betaling door haar van € 1.000.000,-.
2.4
Uit wat hierboven in 2.2 is opgemerkt volgt, dat bij de
subonderdelen 1.1 en 1.2niet ten onrechte er van wordt uitgegaan dat bij de beoordeling of een eisende partij een spoedeisend belang heeft, een afweging van de belangen van de betrokken partijen dient plaats te vinden en voorts dat daarbij als beoordelingsmoment het moment van de uitspraak dient te worden aangehouden. Zoals bij de bespreking hierna in 2.5 t/m 2.5.2 van de subonderdelen 1.4 en 1.5 nader zal worden uiteengezet, heeft het hof niet uit het oog verloren dat bij de vaststelling of aan de eis van aanwezigheid van een spoedeisend belang is voldaan, een afweging van de belangen van de betrokken partijen dient plaats te vinden.
Het hof heeft bij de vaststelling of aan de eis van aanwezigheid van een spoedeisend belang is voldaan, wel als vertrekpunt aangehouden wat KD zelf voor de aanwezigheid van een spoedeisend belang heeft aangevoerd. Dat is wat hiervoor in 2.3 is vermeld. Hiermee geeft het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.5
De klachten in de
subonderdelen 1.4 en 1.5komen hierop neer dat het hof de vraag van spoedeisendheid onvoldoende gemotiveerd heeft beantwoord, doordat het in zijn beoordeling niet de in deze subonderdelen genoemde stellingen van KD heeft betrokken. Deze onderdelen treffen om de na te noemen redenen geen doel.
2.5.1
De stellingen die in de subonderdelen 1.4 en 1.5 worden genoemd, houden verband met het door KD ingenomen standpunt dat zij gerechtigd is de putoptie uit te oefenen en dat zij, voor wat de daarbij behorende prijs betreft, uit hoofde van de SHA bovendien recht heeft op betaling aan haar van € 1.000.000,-. Zoals hierboven al vermeld, is zij van mening dat in verband met deze vorderingen aan de eis van een spoedeisend belang is voldaan, omdat de vorderingen simpelweg voor toewijzing gereed liggen en van haar niet mag worden gevergd om in een klip klare zaak als de onderhavige een langdurige bodemprocedure af te wachten. Vanwege het door Euromedic gevoerde, in rov. 3.3.3 kort weergegeven, verweer deelt het hof echter deze zienswijze van KD met betrekking tot haar vorderingen niet. Voor de beoordeling van gegrondheid van het verweer van Euromedic en daarmee van de vorderingen van KD is, zo oordeelt het hof in rov. 3.3.4, nader feitelijk onderzoek nodig. Hoewel het hof dat niet met zoveel woorden uitspreekt, acht het hof kennelijk binnen het onderhavige kort geding daarvoor geen voldoende ruimte aanwezig.
2.5.2
In een en ander ligt een afweging van de belangen van KD tegenover die van Euromedic besloten. Die afweging komt hierop neer dat het hof de vorderingen, die KD uit hoofde van de putoptie pretendeert jegens Euromedic te hebben, te ongewis acht om Euromedic bij wege van voorlopige voorziening te verplichten om overeenkomstig die vorderingen te handelen, te weten het overnemen van KD van het nog in haar bezit zijnde 30%-gedeelte van de aandelen in AC en Vibsus tegen betaling aan KD van het bedrag van € 1.000.000,-. Met een en ander geeft het hof, oordelend als voorzieningenrechter in appel, geen onjuist of onbegrijpelijk oordeel. Zoals hierboven in 2.2 uiteengezet, mag de voorzieningenrechter en dient hij zelfs zich in beginsel bij zijn beslissing over de verlangde voorzieningen mede te laten leiden door wat naar zijn verwachting de uitkomst in een eventuele bodemprocedure zal zijn. Is vanwege onvoldoende zekerheid omtrent de achterliggende feiten te onzeker of die uitkomst zal zijn zoals door de eisende partij in het kort geding verdedigd, dan kan de voorzieningenrechter daarin aanleiding vinden om de verlangde voorzieningen niet toe te wijzen. Gelet op het karakter van het kort geding, te weten een spoedprocedure waarin geen ruimte is voor uitgebreid feitelijk onderzoek, staat het ter beoordeling van de voorzieningenrechter in hoeverre hij in het betrokken kort geding tot nader onderzoek naar de feiten wil overgaan. Vanwege de in kort geding geldende beperkte motiveringsplicht kon het hof volstaan met het te ongewis achten van de vorderingen van KD vanwege het verweer van Euromedic tegen die vorderingen en de noodzaak daardoor van nader onderzoek naar de feiten. Het hof hoefde niet apart stil te staan bij de in de subonderdelen 1.4 en 1.5 genoemde stellingen.
2.6
Subonderdeel 1.6heeft meer specifiek betrekking op rov. 3.3.5, waarin het hof melding maakt van een nadere onderbouwing door KD in hoger beroep van het spoedeisend belang bij de in onderdeel 1 aan de orde zijnde voorzieningen. Deze nadere onderbouwing, zoals in rov. 3.3.5 verwoord, vindt men niet in de memorie van antwoord of in een ander processtuk in appel van KD terug. Wel treft men onder 6.9 van de memorie van antwoord de stelling aan, dat KD bij de behandeling en toewijzing van haar vordering een spoedeisend belang heeft en had omdat Euromedic al meer dan een jaar talmt en weigert een overeenkomst na te komen die partijen in staat stelt, althans zou moeten stellen, gezwind als aandeelhouders uit elkaar te gaan indien zich specifiek geformuleerde omstandigheden voordoen. Overigens is in cassatie niet bestreden dat KD voor het spoedeisend belang een nadere onderbouwing heeft gegeven als door het hof in rov. 3.3.5 verwoord. Derhalve is van die onderbouwing uit te gaan.
2.6.1
Volgens het hof kan die nadere onderbouwing KD ook niet baten, want, hoewel KD vanwege haar betrokkenheid in haar hoedanigheid van aandeelhouder
( [8] )wellicht spoedeisend belang zou kunnen hebben, doet dat voor de thans voorliggende beoordeling – [van de aanwezigheid van een spoedeisend belang van KD bij de op de putoptie stoelende vorderingen] – niet ter zake, want haar vorderingen zagen niet op maatregelen aangaande die betrokkenheid, te verstrekken informatie of soortgelijke kwesties. Deze weerlegging van KD’s beroep op het tijdsverloop wordt in subonderdeel 1.6 als een (onvoldoende) begrijpelijke weerlegging bestreden: het feit dat de vorderingen van KD niet zien op maatregelen aangaande de betrokkenheid van KD als aandeelhouder, te verstrekken informatie of soortgelijke kwesties, betekent niet dat haar beroep op tijdsverloop niet relevant is voor de vraag of zij spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
2.6.2
Deze motiveringsklacht treft geen doel, vooral omdat niet voldoende duidelijk wordt gemaakt waarin de onbegrijpelijkheid van ’s hofs weerlegging is gelegen. Er wordt niet nader aangegeven waarin de betekenis van het beroep op tijdsverloop is gelegen en waarom bijgevolg in het licht daarvan het hof die betekenis niet slechts heeft mogen zoeken in KD’s ‘betrokkenheid in haar hoedanigheid van aandeelhouder’.
2.6.3
Zou – gelet op de stelling in 6.9 van de memorie van antwoord in appel – de betekenis van het beroep op tijdsverloop met name hierin moeten worden gezocht, dat het feit dat KD al langere tijd niet meer daadwerkelijk betrokken is geweest bij de gang van zaken van AC en Vibsus en via deze vennootschappen bij de gang van zaken van Laurus, een reden te meer is om Euromedic te laten meewerken aan het uitvoering geven aan de putoptie en zo ook in juridisch opzicht een einde te maken aan KD’s betrokkenheid bij de zojuist genoemde vennootschappen, dan kan subonderdeel 1.6 KD evenmin baten. Deze reden laat immers onverlet de hierboven besproken andere door het hof gebezigde grond voor het niet aannemen van een spoedeisend belang van KD bij haar aan de putoptie gerelateerde vorderingen. Het tijdsverloop brengt geen verandering in de door het hof aangenomen ongewisheid van die vorderingen. De motiveringsklacht in subonderdeel 1.6 treft dan geen doel wegens gemis aan belang.
2.6.4
Voor zover in subonderdeel 1.6 nog naar subonderdeel 1.1 wordt verwezen, geeft dat evenmin aanleiding om het subonderdeel te doen slagen. Hierboven is uiteengezet dat het hof niet miskend heeft dat bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een spoedeisend belang een weging van de belangen van de betrokken partijen speelt.
2.7
Wat de klachten in de
subonderdelen 1.3 en 1.7betreft, zij slagen niet wegens gemis aan feitelijke grondslag. Zij stoelen immers op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof concludeert niet tot afwezigheid van spoedeisendheid, omdat er sprake is van een rechtsvraag waarop het antwoord niet evident is of omdat bij een veroordeling in kort geding tot betaling van een geldsom terughoudendheid op zijn plaats is.
2.8
Het voorgaande voert tot de slotsom dat onderdeel 1 geen doel treft.
Onderdeel 2
2.9
Met over vier subonderdelen verspreide klachten wordt in onderdeel 2 bestreden hetgeen het hof in de rov. 3.4.1 en 3.42 overweegt om te komen tot vernietiging van de beslissing in eerste aanleg tot schorsing van het non-concurrentieverbod in artikel 18 van Pro de SHA vanaf 27 juni 2013. De vernietiging baseert het hof in rov. 3.4.1 op twee gronden. Het hof is van oordeel dat beoordeling van het non-concurrentiebeding in het onderhavige kort geding niet was aangewezen en bovendien ziet het hof niet in welk spoedeisend belang KD bij haar primaire/subsidiaire vordering inzake het non-concurrentie beding heeft. Daarbij neemt het hof drie omstandigheden in aanmerking. Behalve op de samenhang met het geschil rondom de putoptie – in verband waarmee het hof een in dit kort geding niet uit te voeren, nader feitelijk onderzoek nodig acht –, wijst het hof er ook nog op dat de nakoming van het non-concurrentie niet op straffe van een dwangsom is overeengekomen of gevorderd en dat niet aannemelijk is dat KD ([betrokkene 1]) het voornemen heeft om ‘dergelijke’ (lees: onder het non-concurrentiebeding vallende) activiteiten te ontplooien.
2.9.1
Zoals hiervoor al opgemerkt, baseert het hof de vernietiging van de beslissing van de beslissing in eerste aanleg tot schorsing van het non-concurrentiebeding op twee gronden. Met name ten aanzien van de grond dat naar het oordeel van het hof de beoordeling van het beding in het onderhavige kort geding niet was aangewezen, rijst de vraag wat het hof daarbij voor ogen heeft gestaan. Gelet op de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, is het meest aannemelijk dat het hof bedoeld heeft dat het uitspreken van een niet langer gebonden zijn van KD aan het non-concurrentiebeding, zoals in eerste aanleg is gebeurd, niet wenselijk is wegens de samenhang van dat beding met het putoptie-geschil, waaromtrent een in het onderhavige geding niet op te heffen ongewisheid ten aanzien van de feiten bestaat. Daarbij laat het hof dan verder nog meewegen de twee andere omstandigheden, te weten dat de nakoming van het non-concurrentiebeding niet op straffe van een dwangsom is overeengekomen of gevorderd en dat niet aannemelijk is dat KD ([betrokkene 1]) het voornemen heeft om ‘dergelijke’ (lees: onder het non-concurrentiebeding vallende) activiteiten te ontplooien. Die omstandigheden maken het blijkbaar in de ogen van het hof te minder nodig om het non-concurrentiebeding niet in het onderhavige kort geding buiten werking te stellen.
2.1
In
subonderdeel 2.1wordt uitgegaan van het doeltreffen van één of meer klachten uit onderdeel 1. Nu dat niet het geval is, kan ook subonderdeel 2.1 KD niet baten.
2.11
In
subonderdeel 2.2wordt op basis van de veronderstelling dat het hof heeft miskend dat de toewijsbaarheid van een vordering in kort geding afhankelijk is van een belangen-afweging waarbij bepaalde aspecten een rolspelen, het hof verweten van een onjuiste rechtsopvatting te zijn uitgegaan. In hetgeen het hof in met name rov. 3.4.1 overweegt, valt echter de veronderstelde miskenning door het hof niet te lezen. Dit betekent dat subonderdeel 2.2 feitelijke grondslag mist en om die reden geen doel kan treffen.
2.12
In
subonderdeel 2.3wordt als niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd bestreden het oordeel van het hof in rov. 3.4.1, dat de beoordeling van het non-concurrentiebeding in kort geding niet aangewezen is. Daartoe wordt aangevoerd dat het feit dat geen nakoming van het non-concurrentiebeding op straffe van een dwangsom was overeengekomen dan wel gevorderd, nog niet maakt dat KD geen belang heeft bij toewijzing van een gebod aan Euromedic om te gehengen en te gedogen dat KD in weerwil van het non-concurrentiebeding vanaf 27 juni 2013 weer medische diensten verricht.
2.12.1
Hier wordt uit het oog verloren dat het oordeel van het hof dat de beoordeling van het non-concurrentiebeding in kort geding niet aangewezen is, zoals hiervoor in 2.9.1 uiteengezet, op meer gronden rust en dat de belangrijkste daarvan is de samenhang van dat beding met het putoptie-geschil, waaromtrent een in het onderhavige geding niet op te heffen ongewisheid ten aanzien van de feiten bestaat. Anders gezegd, met hetgeen daartoe wordt aangevoerd wordt niet genoegzaam aangetoond dat het oordeel van het hof in rov. 3.4.1 dat de beoordeling van het non-concurrentiebeding in kort geding niet aangewezen is, niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd.
2.13
Verder wordt in subonderdeel 2.3 het oordeel van het hof in rov. 3.4.1 bestreden dat niet aannemelijk is dat KD ([betrokkene 1]) feitelijk voornemens is om onder het non-concurrentiebeding vallende activiteiten te ontplooien. Ook dat oordeel wordt aangemerkt als onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. In verband daarmee wordt gewezen op twee stellingen van KD, te weten dat zij door het concurrentiebeding “
niet in staat is om enige vorm van inkomsten te generen”en dat haar dit blokkeert
“in het ontplooien van de activiteiten waarmee hij in staat is geld te verdienen”. Van die stellingen wordt gezegd dat zij onbestreden zijn gebleven. Daarmee wordt beoogd aan te geven dat de twee stellingen in cassatie inhoudelijk voor juist kunnen worden gehouden.
2.13.1
Allereerst rijst de vraag of de twee hiervoor in 2.13 genoemde stellingen wel onbetwist zijn gebleven. Onder 21 van haar memorie van grieven betwist Euromedic het door de rechtbank aangenomen spoedeisend belang van KD bij de schorsing van het – voor KD als aandeelhouder van AC en Vibsus krachtens artikel 18 uit Pro de SHA geldende – non-concurrentiebeding. Daar wordt onder meer aangevoerd dat KD een holdingmaatschappij en niet een werkmaatschappij is, dat zij kan teren op de koopsom die zij eind december 2010 cash heeft ontvangen (€ 2.600.000,- en in totaal € 3.000.000,-) en dat zij buiten Roemenië activiteiten kan ontplooien, zodat het non-concurrentiebeding niet onevenredig zwaar op KD drukt. In een en ander is een bestrijding van de twee stellingen te zien. Dit betekent dat de motiveringsklacht feitelijke grondslag mist, voor zover die worden onderbouwd met een beroep op twee stellingen, waarvan gezegd wordt dat zij onbestreden zijn gebleven.
2.13.2
De betwisting van de twee stellingen brengt verder mee dat in cassatie niet als vaststaand kan worden aangenomen dat KD, anders dan wordt betoogd, voor haar inkomsten afhankelijk is van door het non-concurrentie verboden activiteiten.
2.13.3
Een en ander impliceert dat ook de hiervoor in 2.14 bedoelde motiveringsklacht geen doel kan treffen. Van dat wat ter adstructie van de onvoldoende motivering wordt aangevoerd, kan in cassatie niet worden uitgegaan.
2.14
Voor zover in subonderdeel 2.4 op subonderdeel 2.3 wordt voortgebouwd, geldt ook voor subonderdeel 2.4 de voor subonderdeel 2.3 geldende slotsom dat dit subonderdeel geen doel treft. Hetzelfde gaat op voor de verwijzing in subonderdeel 2.4 naar subonderdeel 1.1.
2.15
Kortom, onderdeel 2 treft evenmin doel.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(A-G)

Voetnoten

1.. Rov. 2.1.1 t/m 2.1.7 van het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 april 2014.
2.. In de inleidende dagvaarding in eerste aanleg wordt onder 2.3 als achtergrond van deze transacties vermeld:
3.. In de SPA is bedoeld Territory omschreven als: “Romania and any other territory that the Companies shall establish business therein”.
4.. In de dagvaarding is een voorbehoud van aanvulling van de cassatieklachten opgenomen, maar van dat voorbehoud is uiteindelijk geen gebruik gemaakt.
5.. Zie in dit verband de losbladige Kluwer-bundel Burgerlijke Rechtsvordering (T.F.E. Tjong Tjin Tai), artikel 254, aant. 2.1 en 5 jo. art. 257, aant. 6 jo. art. 256, aant. 2.
6.. Zie in dit verband de losbladige Kluwer-bundel Burgerlijke Rechtsvordering (T.F.E. Tjong Tjin Tai), artikel 256.
7.. Zie de dagvaarding in eerste aanleg, onder 5.1, waarnaar in de memorie van antwoord in appel, onder 6.1 wordt verwezen. Onder 6.9 van de memorie van antwoord wordt gesteld:
8.. Niet duidelijk is op welke aandeelhouderschap het hof hier het oog heeft. Te denken valt aan het aandeelhouderschap met betrekking tot AC en Vibsus en/of – indirect - Laurus.