Conclusie
Q Concurrentiebeding
- binnen een periode van 2 jaar na indiensttreding: 1 jaar of;
- indien dit 2 of meer jaren heeft geduurd: 2 jaar.
Concurrentiebeding
- In dienst kunnen treden bij een ander bureau dat zich (mede) richt op advisering ten aanzien van subsidies, voor zover dit adviesaspect een onderdeel uitmaakt van de nieuwe functie;
- (...).”
Concurrentiebeding
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 4 en 5uitgewerkte klachten.
onderdeel 5is dat de passage uit rov. 3.12 dat PNO niet (gemotiveerd) heeft gesteld dat [verweerster] in de relevante periode enigerlei bij haar opgedane kennis of vaardigheden op het gebied van de WBSO ten behoeve van Deloitte heeft gebruikt, onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
onderdeel 5niet opgaat, omdat ik wel begrijpelijk acht dat het hof vindt dat PNO niet voldoende
onderbouwdheeft gesteld dat [verweerster] bij PNO opgedane WBSO “subsidie-advies”- kennis heeft gebruikt in haar nieuwe werk voor Deloitte. Materieel heeft het hof niet kunnen vaststellen dat sprake is geweest van overlap (en resteerde aanpalende werkzaamheden die niet onder het beding vielen). In onderdeel 3 noemt PNO dertien vindplaatsen, waarin zij stelt gemotiveerd te hebben aangegeven dat [verweerster] bij PNO opgedane kennis op het gebied van de WBSO ten behoeve van Deloitte heeft gebruikt. Maar waar het bij die passages op neerkomt, is dat PNO wel heeft gesteld
dat[verweerster] bij Deloitte WBSO-kennis heeft gebruikt, maar dat PNO
nergens concreet heeft uitgewerkt hoe dan. Feitelijk kan de rechter dan oordelen dat dat onvoldoende is en het vervolgens afdoen met de formule dat terzake onvoldoende (gemotiveerd [4] ) is gesteld, zoals gebeurt in rov. 3.12. Dat is wat het hof klaarblijkelijk heeft gedaan. Beoordeling of een partij een bepaald punt (voldoende onderbouwd) heeft gesteld, behelst een waardering van partijstellingen en gedingstukken die aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Het oordeel moet alleen wel voldoende gemotiveerd en begrijpelijk zijn. Ik zal hierna uiteenzetten waarom ik dat oordeel, na enig nadenken, als zodanig kwalificeer.
deels overlappendzijn namelijk met betrekking tot de werkzaamheden ten aanzien van
de WBSO regeling en de Innovatiebox.Het argument van [verweerster] dat zij deze werkzaamheden niet als “subsidieadviseur” maar als “ belastingadviseur” uitoefent, treft natuurlijk geen doel. In de eerste plaats omdat [verweerster] in dienst treedt bij een onderneming die gelijk, gelijksoortig of aanverwant is aan PNO, maar ook omdat dat uitvoering van deze werkzaamheden hetzelfde is en er door [verweerster] alleen een ander label op wordt geplakt: “belastingadvies” in plaats van “subsidieadvies”. [verweerster] stelt dat er een onderscheid zou zijn tussen belastingadvies en subsidieadvies maar bewijst zulks totaal niet. Een dergelijk onderscheid bestaat niet. Zoals blijkt uit de verklaring van [betrokkene 2] (
productie 28) en
productie 29van Loyens & Loeff is er geen onderscheid tussen belastingadvies en subsidieadvies waar het de Innovatiebox betreft.”
exactde werkzaamheden die door [verweerster] binnen PNO werd (op)gedaan. Bij werkzaamheden ten aanzien van de WBSO beschrijf je de innovatie en verzoek je om een beschikking, een S&O-verklaring. Bij een verzoek om toepassing van de Innovatiebox begin je met de S&O-verklaring en ga je via aanvraag documentatie op zoek naar de innovatie, het startpunt en kern van het I-boxverzoek. Klinkt eenvoudig, maar is dat in de praktijk minder, omdat de innovatie en de daarmee verbonden kosten opnieuw feitelijk moeten worden onderbouwd.
Opvallendis dat [verweerster] erkent na 1 oktober 2010 te hebben geadviseerd op het gebied van de WBSO. Een en ander blijkt uit punt 57 van de memorie van grieven waarin staat vermeld:
geen Innovatieboxwerkheeft gedaan. Ook daarover wordt in cassatie niet geklaagd. De geciteerde tussenzin kan volgens mij op twee manieren worden gelezen.
met name in het kader van de Innovatiebox, bepaalde kennis heeft opgedaan en/of vaardigheden heeft geleerd (onderstreping A-G)” die zij nadien bij Deloitte is gaan gebruiken. Ook in rov. 3.11 plaatst het hof het al dan niet bij PNO hebben opgedaan van WBSO-kennis in de sleutel van (het niet impliceren dat dat) Innovatiebox-kennis (oplevert). Dan is in deze eerste lezing de geciteerde tussenzin over het in het midden kunnen blijven of Geijtenbeeks functie bij Deloitte advisering over subsidies inhield, niet onbegrijpelijk, als dit conform de vooropstelling in rov. 3.10 wordt opgevat als: advisering ten aanzien van
subsidies in het kader van de Innovatiebox(omdat de eerste subconclusie van rov. 3.12 na uitvoerige motivering in rov. 3.11 immers is: [verweerster] heeft bij PNO geen Innovatieboxwerk gedaan).
onderdeel 4faalt, omdat ik niet zie dat het hof de devolutieve werking heeft miskend. Het hof heeft gewogen en te licht bevonden, dat is wat anders.