Conclusie
1.Feiten
3.Inleiding
4.Bespreking van het middel
Onderdeel 1abetoogt dat in de onderhavige aansprakelijkheidsverzekering de dekking ter zake van werkgeversaansprakelijkheid van de verzekerde - de situatie die zich in dit geval (althans in potentie) voordeed, nu Kong Hing door [betrokkene] als (voormalig) werkgever aansprakelijk was gesteld - aldus is omschreven dat de verzekering (met inachtneming van het bepaalde in art. 10, dat hier verder niet van belang is) "de
aansprakelijkheidvan verzekerden als werkgever voor door ondergeschikten geleden schade" dekt (zie Rubriek II - werkgeversaansprakelijkheid, art. 16, van de polisvoorwaarden). In dit verband geldt dat het aan de verzekeraar is om via de primaire dekkingsomschrijving de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen (zodat een beroep van de verzekeraar op deze dekkingsomschrijving ook niet via een beroep op de redelijkheid en billijkheid kan worden afgeweerd; vgl. HR 9 juni 2006, NJ 2006, 326). Voorts geldt dat de uitleg van deze primaire dekkingsomschrijving - en meer in het algemeen van de polisvoorwaarden van een verzekering als de onderhavige, waarvan niet is gesteld dat daarover tussen partijen afzonderlijk is onderhandeld - met name afhankelijk is van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. Blijkens de primaire dekkingsomschrijving in art. 16 van Pro de polisvoorwaarden dekt de onderhavige verzekering immers (uitsluitend) de
aansprakelijkheidvan verzekerden (in casu: als werkgever) jegens derden. Deze bepaling laat, uitgelegd naar de te dezen toepasselijke (objectieve) uitlegmaatstaven, derhalve geen andere uitleg toe dan dat indien (al dan niet na een gerechtelijke procedure in meerdere instanties) komt vast te staan dat de verzekerde
nietaansprakelijk is jegens een derde, (in zoverre) geen dekking onder de verzekering bestaat.
onderdeel 1dmerkt het Hof in rov. 13 tot slot op dat Kong Hing heeft aangevoerd dat bij een rechtstreekse betaling door HDI aan [betrokkene] na het vonnis van het Gerecht het restitutierisico ook bij HDI had gelegen. Indien het Hof deze opmerking aan zijn oordeel ten grondslag heeft willen leggen, geldt dat ook de genoemde omstandigheid, in het licht van de afbakening van de primaire dekking in de polisvoorwaarden, niet (zonder nadere motivering), de gevolgtrekking kan dragen dat de polisvoorwaarden aldus moeten worden uitgelegd dat indien uiteindelijk komt vast te staan dat de verzekerde niet aansprakelijk is jegens een derde, toch dekking bestaat indien en zo lang de derde het ontvangen bedrag niet terugbetaalt aan de verzekerde, c.q. de verzekeraar ter zake het risico dient te dragen. Bovendien ziet het Hof er met deze overweging aan voorbij dat - naar HDI heeft aangevoerd, maar het Hof geheel onbesproken heeft gelaten - zich hier niet het geval voordoet dat de verzekeraar na een gerechtelijke uitspraak zelf aan de derde heeft betaald, omdat Kong Hing juist door haar eigen opstelling (waarbij zij ervoor heeft gekozen om de aanspraak van [betrokkene] niet te melden, zelf voor verweer in de procedure zorg te dragen en pas een melding te doen nadat zij in eerste aanleg al was veroordeeld) HDI de mogelijkheid heeft ontnomen om zelf een schaderegeling met [betrokkene] te treffen. Gelet hierop geldt eens te meer dat de (gestelde) omstandigheid dat in een andere situatie het restitutierisico jegens [betrokkene] (mogelijk) bij HDI had gelegen, niet (zonder nadere motivering), de uitleg die het Hof aan de polisvoorwaarden heeft gegeven kan dragen.
onderdeel 1ete meer nu, zoals HDI ook heeft aangevoerd, HDI (anders dan Kong Hing) géén vorderingsrecht jegens [betrokkene] heeft ter zake van de door [betrokkene] ontvangen bedragen en HDI derhalve niet gerechtigd is deze bedragen van [betrokkene] terug te vorderen. In het licht van deze (essentiële) omstandigheid - waaraan het Hof in zijn overwegingen in het geheel geen aandacht heeft besteed - geldt eens te meer dat het Hof, zoals in de voorgaande onderdelen al is aangevoerd, een rechtens onjuiste en/of onbegrijpelijke uitleg aan de polisvoorwaarden heeft gegeven door te oordelen dat HDI de uitgekeerde bedragen (ook) niet van Kong Hing (en dus feitelijk: van niemand) kan terugvorderen.
uiteindelijkniet hoeft te betalen als
onherroepelijkkomt vast te staan dat er geen aansprakelijkheid is (was). Dwingend is die lezing, ook bij een letterlijke lezing, zeker niet. Art. 16 laat Pro, ook bij strikte interpretatie, zeer wel de lezing toe dat de verzekeraar moet betalen als op enig moment de verzekerde aansprakelijk wordt gehouden. In die laatste lezing wordt met geen woord gerept over hetgeen moet gebeuren in een situatie als de onderhavige. Dat zo zijnde, is geenszins gezocht de lezing dat het insolventierisico dan bij de verzekeraar ligt.
alleenhet standpunt van HDI toelaat. Die opvatting acht ik op de zojuist vermelde gronden onjuist. Daarmee zijn de kernklachten besproken en ongegrond bevonden.
Onderdeel 1dkant zich tegen een obiter dictum, [6] nog daargelaten dat niet goed valt in te zien wat de aan het slot vermelde omstandigheid met uitleg van doen heeft. Bovendien wordt miskend dat het Hof, in cassatie niet bestreden, blijkens rov. 13 laatste volzin heeft geoordeeld dat eerst bij pleidooi in appel opgeworpen verweren, waarop de voetnoot van bij het onderdeel betrekking heeft, tardief waren.