Conclusie
“Medeplegen van doodslag, voorafgegaan en/of vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals vermeld in het bestreden arrest.
Het middelklaagt dat het hof het verweer dat verdachte niet het oogmerk had om met de dood van het slachtoffer een van de in art. 288 Sr Pro genoemde oogmerken te verwezenlijken, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
“Zulks ten onrechte aangezien de wetgever hierbij het oog heeft gehad op beide aspecten, te weten oogmerk op de samenhang van de doodslag met het andere gevolgde of vergezellend strafbaar feit.”
“geen betrekking heeft op de doodslag”, blijkt uit hetgeen het hof daarna heeft overwogen immers dat het hof met die overweging bedoelt dat het in art. 288 Sr Pro bedoelde oogmerk geen betrekking heeft op doodslag sec, maar
op het doel waarmee de doodslag is begaan, (in dit geval) om de uitvoering van een strafbaar feit (de diefstal) voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Dat is een juiste uitleg van het bestanddeel “oogmerk” ex art. 288 Sr Pro.
“in onmiddellijk verband met de doodslag wordt gepleegd”niet. [1] Gelet op het voorgaande en gelet op het verweer dat inhoudt dat
“gekwalificeerde doodslag niet kan worden bewezen omdat verdachte niet het oogmerk had om met de dood van het slachtoffer één van de in artikel 288 Sr Pro genoemde oogmerken te verwezenlijken”, getuigt ’s hofs verwerping van het verweer niet van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het hof zijn verwerping van het verweer in zoverre toereikend gemotiveerd.