Conclusie
1.Ter inleiding
( [2] )In geval dat degene die meent dat in zijn nadeel een onderscheid is of wordt gemaakt in rechte feiten aanvoert, die een verboden onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met de wet is gehandeld (artikel 6a WGB).
( [3] )
( [4] )
3.Commissie Gelijke Behandeling / College voor de Rechten van de Mens
( [5] )Dit College ontleent aan artikel 10 van Pro de Wet College voor de Rechten van de Mens de bevoegdheid een onderzoek te doen naar en een oordeel uit te spreken over onderscheid als onder meer bedoeld in de WGB.
4.De beoordeling van de kortingsregeling door de CGB
( [6] )De hoofdpunten van de uitspraak, voor zover te dezen van belang, laten zich kort als volgt samenvatten.
( [7] )( [8] )In dat verband vermeldt de CGB dat van de kant van het Pensioenfonds is gesteld dat afschaffing van de kortingsregeling tot gevolg zal hebben dat naast de werkgeversbijdrage een werknemersbijdrage zal moeten worden gevraagd of dat mogelijk de pensioenuitkeringen zullen moeten worden verlaagd. Indien de afschaffing dergelijke gevolgen zal hebben, dient naar het oordeel van de CGB de kortingsregeling een voldoende zwaarwegend en een niet-discriminerend doel.
“De Commissie is op grond hiervan van oordeel dat verweerster –[het Pensioenfonds]
– er niet in is geslaagd aan te tonen dat het afschaffen van de kortingsregeling teveel zou vergen van de solidariteit. Derhalve staat de kortingsregeling niet in evenredige verhouding tot het doel en kan het middel niet noodzakelijk worden geacht ter bereiking van het beoogde doel.”
“Verweerster heeft op grond van het bovenstaande indirect onderscheid op grond van geslacht gemaakt dat niet objectief gerechtvaardigd is.”
( [9] )De door CGB uitgesproken oordelen zijn vrijwel steeds in lijn met het hiervoor besproken oordeel van 8 mei 2003. Voor wat het noodzakelijkheidsvereiste betreft komt de CGB meestal ook tot de bevinding dat handhaving van de kortingsregeling in het betrokken geval niet in evenredige verhouding tot het beoogde doel – ( begrenzing van de solidariteit door kostenbesparing) – staat, omdat het doen vervallen van de regeling niet of slechts in geringe mate leidt tot een verhoging van de totale pensioenkosten, althans dat het tegendeel door het betrokken pensioenfonds niet is aangetoond, en/of omdat er een ander middel tot kostenreductie voorhanden is dat niet of in mindere mate een indirect onderscheid ten nadele van de vrouw meebrengt.
5.Beoordeling van de kortingsregeling door de burgerlijke rechter
( [10] )In zijn memorie van antwoord reageert het Pensioenfonds hierop onder meer met de stelling dat de proportionaliteit van de kortingsregeling niet alleen wordt bepaald door de (marginale) financiële gevolgen van het wegnemen (of verder oprekken) van de bandbreedte waarbinnen geen leeftijdskorting plaats heeft. Het feit dat de financiële gevolgen – berekend vanuit de situatie dat de eerste 10 jaren leeftijdsverschil zijn ‘vrijgelaten’ – van het vervallen van de leeftijdskorting relatief gering zijn, betekent niet, aldus nog steeds het Pensioenfonds, dat sprake is van een disproportionele regeling. Het hof beslist in zijn arrest van 31 augustus 2006 tot bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank Amsterdam. De gronden waarop deze beslissing rust, komen – voor zover te dezen van belang – op het volgende neer.
( [11] )
( [12] ), gaat het om een nabestaandepensioen dat bij het ABP is opgebouwd door een man, die in het onderwijs werkzaam is geweest en bij zijn overlijden een 33 jaar jongere echtgenote achterliet. Het toepasselijke pensioenreglement voorzag in een korting op de uitkering in geval dat er tussen de echtelieden een leeftijdsverschil bestaat van meer dan 10 jaren en bovendien het huwelijk op de dag van overlijden nog geen vijf jaren had geduurd. Bij de beoordeling van de objectieve rechtvaardiging voor de korting houdt het hof, mede gelet op de door het ABP gegeven toelichting, als wezen van de kortingsregeling aan het uitgangspunt dat zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat deelnemers, in situaties waarin zij verwachten dat zij op korte termijn komen te overlijden, een aanspraak op (volledig) nabestaandepensioen ten laste van het pensioenfonds willen veilig stellen door nog een huwelijk te sluiten met een veel jongere partner. Tegen deze achtergrond bezien, acht het hof de kortingsregeling geen geschikt middel: met het tien jaar-criterium zijn geen sterfbedhuwelijken tegen te gaan. Bovendien acht het hof de regeling ook niet noodzakelijk om onevenredige druk op de solidariteit te voorkomen. Het voorkomen van die druk kan ook met andere maatregelen worden bereikt; er dienen criteria te worden ontwikkeld die geschikt zijn om sterfbedhuwelijken in voldoende mate af te bakenen. Het zijn deze gronden die het hof tot de slotsom voeren dat de betrokken kortingsregeling een onderscheid naar geslacht maakt dat niet objectief gerechtvaardigd is.
( [13] )gaat het om een kortingsregeling met betrekking tot een nabestaandepensioen, dat opgebouwd is door een deelnemer van het Bedrijfspensioen Waterbouw. De deelnemer is in 1931 geboren en voor de tweede maal gehuwd met een vrouw die in 1954 is geboren. De kortingsregeling brengt mee dat het nabestaandepensioen met 3 procent wordt verminderd voor ieder jaar dat de achterblijvende partner meer dan ten jaar ouder is dan de overleden partner. Gevorderd is om voor recht te verklaren dat de kortingsregeling buiten toepassing dient te blijven wegens ongeoorloofd indirect onderscheid wegens geslacht. Daarbij wordt een beroep gedaan op een uitspraak van de CGB van 15 december 2011
( [14] ), die tot het oordeel was gekomen dat de kortingsregeling een ongeoorloofd onderscheid oplevert mede op de grond dat de kortingsregeling niet noodzakelijk is te achten omdat afschaffing ervan slechts een gering effect op de totale pensioenlasten zal hebben. Na een indirect onderscheid veronderstellenderwijs te hebben aangenomen, wijst de Kantonrechter de vordering af. Hij overweegt daartoe, kort weergegeven: (a) de begrenzing van de solidariteit is een legitiem doeleind; (b) het pensioenreglement is het resultaat van overleg tussen de betrokken cao-partijen over de arbeidsvoorwaarden; (c) tot op zekere hoogte is de mate van begrenzing arbitrair, zodat de burgerlijke rechter terughoudendheid past; (d) de afschaffing van de kortingsregeling leidt niet tot een ‘gering effect’ op de totale pensioen lasten, zodat niet kan worden gezegd dat de kortingsregeling niet noodzakelijk is.
6.Onderlinge vergelijking van de besproken uitspraken
- a) de leeftijdskorting is een geschikt middel om het legitieme doel te bereiken van begrenzing van de solidariteit in verband met de kosten die verbonden zijn aan een groot leeftijdsverschil tussen een deelnemer en diens echtgenoot/partner;
- b) de mate waarin de solidariteit wordt ingeperkt is tot op zekere hoogte arbitrair;
- c) de kortingsregeling is het resultaat van arbeidsvoorwaardenoverleg tussen cao-partners; mede daardoor past het de rechter terughoudend te zijn met een oordeel over de grenzen die een reglement in concreto aan de solidariteit stelt.
- d) desgewenst kan er – ter compensatie van de aan de korting verbonden nadelen – een aanvullende verzekering ten behoeve van de (huwelijks)partner worden afgesloten.
7.De klacht in cassatie
( [15] )Blijken die gevolgen niet (echt) significant te zijn, dan kan er niet gesproken worden van een noodzaak om de kortingsregeling te handhaven. Deze aanscherping van de beoordeling van de objectieve rechtvaardiging past bij het in artikel 2 van Pro de Grondwet en in verdragen vastgelegde beginsel van gelijke behandeling in gelijke gevallen, welk beginsel ook discriminatie wegens geslacht niet toelaat. Of de financiële consequenties van het doen vervallen van de kortingsregeling handhaving ervan wel of niet gebieden, valt niet in zijn algemeenheid aan te geven. Dat is naar de omstandigheden van het geval te beoordelen. De zojuist vermelde invulling van het noodzakelijkheidsvereiste brengt dus mee dat niet in algemene zin uitsluitsel over het al dan niet gerechtvaardigd zijn van een kortingsregeling kan worden gegeven. Er resteert dienaangaande een zekere mate van onzekerheid.