6. Het Hof heeft voorts met betrekking tot het bewijs overwogen:
“De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
a) Niet kan worden bewezen dat de verdachte de planten opzettelijk aanwezig heeft gehad. De aangetroffen hennepplantage heeft zich niet in de machtssfeer van de verdachte bevonden. De verdachte, had weliswaar toegang tot het huis, waar twee plantages waren, maar uit het dossier blijkt dat zij geen toegang heeft gehad tot de ruimten waar deze gesitueerd waren. Daarnaast is niet komen vast te staan wanneer de hennepplantages in de woning zijn geplaatst. Tot slot moet in aanmerking worden genomen dat er bijna vier maanden zijn verstreken vanaf het moment dat de verdachte voor het laatst in de woning is geweest en het moment dat de plantages zijn aangetroffen. Mocht het hof deze redenering niet volgen, dan is in ieder geval niet komen vast te staan dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van de hennepplantages in de woning. Het enkele vermoeden dat er iets niet pluis was, is hiervoor onvoldoende. Daarnaast hing in de woning een goede afzuiginstallatie, waardoor het zeer goed mogelijk is dat de verdachte de geur van hennep niet heeft geroken.
b) Niet kan worden bewezen dat sprake is van medeplegen. Immers, niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Het enkele verblijven in de woning in samenhang bezien met een vermeend vermoeden dat sprake was van een hennepplantage op de zolder, is daarvoor onvoldoende. De raadsman heeft in dit verband gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 14 mei 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BZ9945). Uit het dossier of hetgeen de rechtbank in eerste aanleg heeft overwogen kan niet volgen dat sprake was van een toezichthoudende functie of van betrokkenheid anderszins bij het opzetten van de kwekerij. Tot slot verwijst de raadsman ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest van dit hof van 16 mei 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1808). Het hof overweegt dienaangaande als volgt
a) Uit de verklaring van de verdachte bij de politie op 10 april 2013 blijkt dat zij in de maanden oktober en november van 2012 in de woning aan de [a-straat 1] te Hilversum heeft verbleven. Een fraudespecialist van LianderN.V. heeft een onderzoek ingesteld en daaruit geconcludeerd dat in die woning in ieder geval in de periode van juni 2012 tot 29 maart 2013 een hennepplantage was ingericht en dat vermoedelijk sprake is geweest van vier eerdere oogsten.
Op 10 april 2013 heeft de verdachte tegenover de politie verklaard dat zij het vermoeden had dat er hennepplantages in de slaapkamer en op zolder waren. Zij heeft gezien dat er bekabelingen via de trap naar de slaapkamer op de eerste verdieping liepen en dat er gaten in de muur zaten waar deze bekabeling door naar binnen ging. Deze slaapkamer bevond zich naast de slaapkamer van de verdachte. Ook heeft zij in de badkamer de pompinstallatie gezien die in verbinding stond met de hennepplantage.
Gelet op de vorengaande feiten en omstandigheden moet de verdachte zich terdege bewust zijn geweest van de hennepplantages in de woning aan de [a-straat 1] te Hilversum en hebben deze hennepplantages zich in ieder geval gedurende de periode van 1 oktober 2012 tot en met 1 december 2012 in haar machtssfeer bevonden. Hetgeen de raadsman overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.
b) Nu de verdachte wist dat de medeverdachte een hennepplantage exploiteerde in de woning waar zij verbleef en zij zich daar in ieder geval in de periode van 1 oktober 2012 tot en met 1 december 2012 niet van heeft gedistantieerd, heeft de verdachte deze hennepplantage gedurende die periode tezamen en in vereniging met de medeverdachte aanwezig gehad.
Dat, zoals de raadsman terecht stelt, niet valt vast te stellen dat zij een toezichthoudende functie heeft gehad of anderszins betrokken was bij het opzetten van de hennepplantage, doet aan het voorgaande niet af.”
7. Anders dan het Hof lijkt te oordelen kan niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte de hennepplanten zelf aanwezig had. Het Hof stelt immers niet meer vast dan dat verdachte zich terdege bewust moet zijn geweest van de hennepplantages in de woning waarin zij twee maanden logeerde. Weliswaar stelt het Hof ook vast dat die hennepplantages zich in verdachtes machtssfeer bevonden, maar die overweging valt niet te verenigen met verdachtes voor het bewijs gebezigde verklaring dat de ruimtes waarin de hennepplantages zich bevonden waren afgesloten terwijl het Hof niet heeft vastgesteld dat zij niettemin toegang tot die ruimtes had.
8. Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt evenmin van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking, gericht op het aanwezig hebben van de in de bewezenverklaring genoemde hennepplanten. De omstandigheid dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de exploitatie van de hennepplantage, zoals het Hof overweegt, maakt dit niet anders. In de omstandigheden van het onderhavige geval, hierin bestaande dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen valt af te leiden dat verdachte zelf hennepplanten aanwezig had, kan daaruit immers niet worden afgeleid dat verdachte, zoals voor medeplegen vereist, daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.