Conclusie
Feiten en procesverloop
( [2] )De par. 1 t/m 39 van de repliek bevatten een beknopte reactie op hetgeen in de schriftelijke toelichting van de man is betoogd. Zij komen voor kennisneming in aanmerking.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
als een doen te beschouwengedraging van een persoon van veertien jaren of ouder is verricht onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, geen beletsel is om de gedraging als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen. Gesteld wordt dat de door het hof vastgestelde weigering van de vrouw niet als een doen in de zin van artikel 6:165 lid 1 BW Pro is te beschouwen en dat uit zijn overweging dat de vrouw onvoldoende heeft gesteld dat haar gezondheidssituatie haar in haar functioneren belemmerde, ook blijkt dat het een niet-doen voor ogen heeft gehad.
( [3] )Daarachter steekt de volgende wetsgeschiedenis. Artikel 6:165 lid 1 BW Pro is voortgekomen uit artikel 6.3.1.2b Ontwerp boek 6 BW. Aanvankelijk luidde dit artikel, dat de omstandigheid dat
een gedragingvan een persoon van veertien jaren of ouder is verricht onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, geen beletsel is om de gedraging als een onrechtmatige daad aan de dader toe te rekenen. Met die bepaling werd beoogd de wetgever zelf ervoor te doen kiezen dat onrechtmatige daden, hoezeer verricht door personen van veertien jaren of ouder met een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, hen als een onrechtmatige daad kunnen worden toegerekend en aan-sprakelijkheid voor schade meebrengen. Aan het feit dat een gedraging van een persoon van veertien jaren of ouder heeft plaatsgevonden onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming, kan geen argument worden ontleend voor het standpunt dat deze gedraging niet als een onrechtmatige daad aan de dader kan worden toegerekend in de zin van artikel 6.3.1.1 (artikel 6:162).
( [4] )Bij de beraadslagingen binnen de Vaste Commissie voor Justitie over artikel 6.3.1.2b in het kader van de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 is de vraag gerezen of het artikel, zoals het op dat moment luidde, niet leidt tot een te vergaande aansprakelijkheid, bijvoorbeeld in een geval dat een doof iemand aan een ander die dreigt te verdrinken geen hulp biedt, omdat hij vanwege zijn doofheid het hulpgeroep van het slachtoffer niet hoort. Van de zijde van de Minister van Justitie werd hierop gereageerd dat er mee kan worden ingestemd dat aansprakelijkheid in dit soort gevallen te ver zou gaan. Om tot een inperking van de aansprakelijkheid te komen wordt gesuggereerd om artikel 6.3.1.2b te beperken tot gedragingen die als ‘een doen zijn te beschouwen’. Ter nadere toelichting wordt opgemerkt:
( [6] )Daarenboven kan worden uitgegaan van de ervaringsregel dat de pleger van een onrechtmatige daad als regel daaraan ook schuld in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW Pro heeft.
( [7] )Een en ander brengt mee dat het aan de vrouw was om de toerekenbaarheid van haar onrechtmatig handelen genoegzaam te betwisten. Het oordeel dat de vrouw te weinig heeft gesteld ter zake dat zij door het tractorincident dan wel door de vechtscheiding niet in staat was haar belangen te behartigen, is te verstaan als dat de vrouw de door de man gestelde toerekenbaarheid van het onrechtmatig handelen van de vrouw aan haar onvoldoende heeft betwist. Een onbegrijpelijk oordeel is dat niet, ook niet in het licht van de stellingen die in cassatiemiddel I, sub 11 worden geciteerd. Die stellingen geven niet duidelijk en concreet aan dat en waarom er bij de vrouw sprake was van een onvermogen om voor haar eigen belangen op te komen als gevolg van lichamelijke en/of geestelijke gebreken als een ptss, een chronische pijnstoornis, burn-out klachten en niet-aangeboren hersenletsel. Een enkele verwijzing naar medische stukken volstaat daartoe niet. Een onvoldoende betwisting van de door de man gestelde toerekenbaarheid van het onrechtmatige handelen van de vrouw brengt mee dat van die toerekenbaarheid is uit te gaan, ook zonder ter zake nog ruimte voor bewijsvoering te bieden (artikel 149 lid Pro 1, tweede volzin Rv). Dit laatste brengt ook mee dat geen doel treffen de klachten die betrekking hebben op de stel- en bewijslast ter zake van het wel of niet aanwezig zijn van een geestelijk en/of gebrek bij de vrouw en het wel of niet bestaan van een oorzakelijk verband tussen haar onrechtmatig handelen en het gebrek.
( [8] )is voldoende steun voor het oordeel te vinden. Op blz. 5 e.v. wordt stil gestaan bij de duur van de totstandkoming van het bindend advies. Opgemerkt wordt dat de lange duur nagenoeg geheel te wijten is aan de vrouw, hetgeen ook nog wordt gestaafd met verwijzingen naar brieven van 12 augustus 2002 en 19 mei 2004 (prod. 2 en 3 bij de memorie van grieven).
( [9] )
“Ter zake van verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak, kan jegens de wederpartij geen vergoeding op grond van artikel 96, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek worden toegekend, maar zijn alleen de regels betreffende proceskosten van toepassing.”
( [10] )In paragraaf 53 wordt dat terecht aangevoerd. Hoewel dit verweer door de vrouw in de vorige instanties niet als zodanig is aangevoerd, kan de klacht in de paragrafen 52 en 53 toch doel treffen. Ingevolge zijn verplichting uit hoofde van artikel 25 Rv Pro had het hof eigener beweging aan de artikelen 6:96 lid 3 BW en 241 Rv toepassing dienen te geven.